Hoe hoog de sneeuw

Een dichter op zijn ziekbed, stervend aan tuberculose. Het is een beeld uit voorbije tijden; denk aan Paul van Ostaijen, Jacques Perk, Kafka. Maar deze dichter heet Masaoka Shiki, en zijn sterfbed staat in Tokio. Buiten sneeuwt het. Hij heeft de eerste vlokken zien vallen door een kier in het raamluik. Nu ligt hij uitgeput achterover. Zijn zus, die hem al jaren liefdevol verzorgt, veegt het opgehoeste slijm van zijn kin en leegt de emmer die als kwispedoor dienst doet. “Wil je even voor me kijken?” vraagt hij. “Ligt er al veel?”
Hij ligt al jaren op dat bed. In het begin kon hij nog wel wat rondschuifelen, op de veranda zitten, zijn tuin bewonderen. Naarmate hij minder mobiel werd plantte zijn zus de bloemen steeds dichter bij het huis, tot de veranda vol staat met potten – blauweregen, hanekam, sponskomkommer. Hij hoeft alleen zijn hoofd maar op te tillen om ze te zien. En intussen schrijft hij maar door, gedichten, commentaren, dagboekaantekeningen, over zijn ziekte – een van zijn haiku heeft als opschrift 7 Mei (temperatuur 38,5°) – zijn dromen (“pijn rukt mij wakker / uit een droom over pijn”), de pruimebloesems naast zijn bed die hun blaadjes een voor een verliezen, de vliegen op het raam. Over zijn geliefde sport, honkbal, waarover hij alleen nog in de krant kan lezen. Over kakifruit (“herinner mij als / iemand die van haiku hield / en van kakifruit”). Alles moet genoteerd, zo objectief en zuiver mogelijk; alleen op die manier, zegt hij, raak je de kern. Shasei, noemt hij zijn stijl – schetsen, zoals een kunstenaar die de natuur in trekt.

Shiki op zijn ziekbed, zelfportret

Shiki is het pseudoniem dat hij zichzelf aanmeet als voor het eerst de diagnose tbc bij hem wordt vastgesteld – naar de Japanse bergkoekoek, van wie de legende zegt dat hij niet ophoudt met zingen totdat hij bloed spuugt. Eigenlijk heet hij Masaoka Tsunenori, zoon van een aan lager wal geraakte samurai en een onderwijzeres. Het is de tijd van wat in Japan de Meiji-restauratie heet, de periode van razendsnelle modernisering die een einde maakt aan eeuwen van stilstand. Japan ontdekt de wereld, en doet dat op vrijwel hetzelfde moment dat de wereld Japan ontdekt. Terwijl in Parijs Vincent van Gogh zich vergaapt aan de Japanse prenten van Hokusai, ontdekt Shiki het realisme van de Europese plein-air schilders. Hij begint er zijn poëzie mee te doordrenken. Als hij tenslotte sterft, nog geen 35 jaar oud, op 19 september 1902, heeft hij de Japanse dichtkunst radicaal vernieuwd, ontdaan van lagen stoffige traditie, heilige huisjes en cliché’s. Het is de vraag of zonder zijn bemoeienis de haiku in het moderne Japan had overleefd, ja, of het genre zonder hem de wereldwijde populariteit had verworven die het nu heeft. Maar aan dat soort dingen denkt hij niet, die winterdag in Tokio. Hoe dik de sneeuwlaag buiten al is, meer wil hij niet weten.

Hoe vaak vroeg ik al
– voor de zoveelste keer –
hoeveel sneeuw er al viel?

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (34)

Het beeld van die hommel krijg ik maar niet uit mijn hoofd. Hij vloog zoekend langs het venster, rond en pluizig zoals hommels zijn, of er misschien een weg naar binnen was, een plek om te nestelen.
Aan onze kant van het glas volgden twee paar ogen de hommel. De zuster had het bed juist aan het raam gezet, “dan kunt u fijn naar buiten kijken”, en dat deden we dan ook maar. Aan een betonnen horizon trokken wolken traag voorbij; in mijn ooghoeken zag ik een tram vertrekken.
“Ik ben moe,” zei ze. Zoals ze daar lag, gekluisterd aan haar bed-met-uitzicht, door draden en slangen en zakken met vloeistof verbonden met apparaten vol oplichtende cijfers die vertelden of er voortgang was – zo klein en breekbaar te midden van dat alles – en ik die niets te zeggen wist.
Waarom wilde je naar binnen, vraag ik zwijgend aan de hommel. Wat had je daar bij ons te zoeken? Ga weg, je kunt er niet in, leg je eitjes ergens anders!
We namen afscheid voor de avond viel en het raam de ziekenkamer op zou sluiten in zijn eigen spiegelbeeld; alsof haar pijn in enkelvoud al niet genoeg was.
De tram naar het station. Op oncomfortabele bankjes wachten op de trein, koffiekiosken die altijd gesloten zijn als je ze nodig hebt. En heel die treinreis lang die hommel. Ik doe mijn best om niet te denken aan wat de dokter zei, en wat we hadden afgesproken haar niet te vertellen, nu nog niet; nee.
Maar die hommel!

één mager boompje
op het ziekenhuisterrein –
bleke aprilzon

toen het bezoekuur
voorbij was, bleef er alleen
eindeloos wachten

laatste trein naar huis –
leger nog dan de perrons
de lege nacht

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (33)

Vergeefs verkoeling zoekend trekt de stad zich in de avond aan het water terug. Terrassen vullen zich met gasten, hier klinkt een grap, een schaterlach, een klacht, “wat is het heet!” – daar tinkelen de glazen, lopen obers heen en weer; en boven alles drijft de maan, in een hemel die traag en zwaar is als stroop.
Maar ik loop stroomafwaarts. De stad uit, naar waar de lege fabrieken zijn en achter een betonnen muur torens van schroot en autowrakken staan. Daar drinkt bij een verlaten laadplatform een late chauffeur koffie uit een plastic beker en fluit vals een liedje. En bij de sluis wiegen de boten zachtjes op het stille water, in natriumlicht. Ik leun over de reling, zie de weerschijn van oranje, gebroken op de golfslag, scherven van licht die dansen op de adem van het water.

achter de sluiskolk –
dronken van de zomernacht,
lantarens, deinend

zeg wat je wilt, maar
onder deze maan, vannacht,
en met deze wijn –

heel het huis rook naar
overrijpe perziken –
hete zomernacht

kom dan als je durft!
roep ik dronken naar de maan –
wankelend naar huis

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Toast en vonken

Het beleggen van toast

Neem nu leverpastei.
Je ziet het niet meteen; voor je het weet heb je het deksel al opgetild, je inspecteert kleur en substantie en alles lijkt in orde; maar dan ontdek je dat het allemaal niet meer is dan toneelspel.
De leverpastei acteert zijn eetbaarheid en zijn pastei-zijn met volle overtuiging – maar het is klatergoud. Je hoeft je neus maar even in de pot te steken om de farce volledig te doorzien.
Met marmelade ligt het anders; daarover misschien later.

 

Mijn kleine wereld

Eerst is er de geur, dan het herinneren.
Achter het huis lag de werkplaats, opa’s wereld. Het rook daar naar vochtige tuinaarde, pasgeteerd hout, schaafsel; geboortegrond van poppenhuizen, modelschepen, paarden op wieltjes. Soms, op dagen dat het heeft geregend, ben ik weer in die werkplaats en zie ik hem een beitel scherpen – hier, draai jij de slijpsteen maar, en ik pak huiverend van geluk de ijzeren slinger en draai zo hard als ik kan, zo hard dat de vonken springen.

©Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Wij, stipjes

Twee nieuwe zeer korte verhalen. Tachtig woorden, niet meer, niet minder. Voor de liefhebbers.

Horticulturele overpeinzing

Frambozen zijn rijp wanneer ze van helderrood roze kleuren. Dat doen ze elk op hun eigen tijd. Tijdens het plukken werd ik enigszins gehinderd door een hommel die wat rondscharrelde in het vingerhoedskruid, maar blijkbaar hinderde ik hem niet in het minst.
Muggen en wespen kan ik niet uitstaan; ze zijn mij vijandig gezind en ik hen. Voor hommels en frambozen daarentegen heb ik sympathie. We zijn gelijkgestemde zielen in ons kleine universum; gemoedelijke wezens die elkaar de ruimte gunnen.

Geboorte van de zeeman

Omgekeerd wordt de tafel een boot; de wereld staat op zijn kop. De vloer: de zee. De jongen: de kapitein. De tafelpoten zijn afwisselend mast, reling, schoorsteen.
Waarheen de reis gaat, dat weet alleen de jongen. Hij weet nog niets van kaarten, maar toch heeft hij er een in zijn gedachten, met onbekende kusten en avonturen en hij en zijn boot zijn op die kaart nog minder dan een stipje.
Laat het dreigen, stormen! – wij houden moedig stand, wij, stipjes.

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Steenkoolrood en natriumoranje

Twee nieuwe zeer korte verhalen. Niet langer en niet korter mogen ze zijn dan tachtig woorden. Dat is de regel. Verder mag alles. Deze zaten er al een tijdje aan te komen, de tweede het eerst; maar toch was die het laatste af.

 

De gloed van kolen

We veegden het raam schoon en ademden het weer dicht; dan tekenden we met onze vingers letters, harten, bloemen; de zon; de maan; een glimlach. Buiten was de wereld koud en vroor je tong vast aan de leuning van de brug. Binnen hing de geur van drogend wasgoed en in de kachel gloeide het vuur mysterieus achter ruitjes van mica.
Mooier dan zo werd het niet. We hulden ons in dekens en oude gordijnen, jij bent Maria en ik Jozef.

 

Op de oranje aarde

Als alles stil is, behalve het rangeerterrein, achter de laan waar ik bij dag mijn bal tegen garagedeuren schop, dan leun ik uit het raam.
Schakels in een ketting lijken ze, wagon na wagon voorzien van nummers, namen, krijttekens. In het koude natriumlicht worden ze gekoppeld, ontkoppeld; buffer slaat tegen buffer, een rangeerlocomotief toetert schel. Dan: de trein die zich in beweging zet, langzaam, schoksgewijs, het schrapend geluid van ijzer op ijzer.
Lang klinkt het nog na in mijn dromen.

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (32)

Toen het water zakte liet het plassen achter, boomstammen, rubber slangen, lege flessen, een matras. Wat voor zondvloed had hier plaatsgevonden? Het leek of het de maansikkel zelf was die door mijn ziel sneed, of was het toch de vrieskou.
In het opkomend duister liep ik naar huis. Jongens met schelle stemmen voetbalden op het pleintje. Op de straathoek stapels vuilniszakken. De vertrouwde geur van het Chinese restaurant, de houten stoelen, de klanten, elk verdiept in eigen telefoon. Ik dacht aan hoe wij niet meer waren dan drijfhout, achtergelaten op de liefdeloze oevers van de tijd.

ik veeg de kruimels
van alweer een dag voorbij –
een loodgrijze hemel

ijskoude regen –
hoe zou het nu met jou gaan,
dacht ik alleen maar

haar achterlichten,
verdwijnend in het donker –
zo’n koude avond

februariwind –
de kilte van mijn voetstap
vult de hele straat

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (31)

Wanneer de zon door regenwolken breekt, wanneer de nevel roze kleurt, wanneer de maan zwanger van herfst is; juist dan lijkt het soms of er een venster opengaat; of er een waarheid op het punt staat openbaar te worden.
Maar dat is, als zo vaak, niets anders dan illusie. Regendruppels. Reflecties. Dwaalwegen.
Waar het mysterie lonkte gaapt uiteindelijk niets dan leegte: wat is de ziel? Niets anders dan de bodem van de fles.

 

de ochtendregen
hing de wilde wingerd
vol parelsnoeren

 

nog een tweede glas:
bespiegeling van zwanen
in vijverwater

 

een herfstwandeling:
in het dal weergalmt vergeefs
de klacht van de koe

 

ademloos, de nacht,
en warm; slapen is zinloos
onder deze maan

© Ben Joosten 2016

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Als tijd – maar nee

(1)
Als tijd kon stilstaan, dan op dat moment: jij, in het wit, opdoemend uit het duister; je hoort mijn stem; je draait je om.
Dàt moment.
Waarop alles nog mogelijk is. Niets is nog onherroepelijk. Niets is er nog verkeerd gegaan.
Was er een maan? Het was een heiige nacht, dat weet ik nog, en een melkachtig licht scheen op je gezicht, je ogen… Vooral je ogen.
Dat moment. Ik lijst het in, en hang het op, en kijk ernaar.

(2)
En dat we dan de rest vergeten. Alles wat later kwam: nooit gebeurd. Nooit verzonden, die brieven. Nooit gevoerd, dat telefoongesprek.
Nooit gebeurd.
Ach, dacht ik soms: als toen de tijd voorgoed was blijven stilstaan…
Maar nu zie ik je hier, jaren later, en ik hoor ze praten. Over je humor, ondanks alles. En hoe dapper je geweest was. Ik zoek vergeefs je ogen, maar die zijn er niet.
Zo koud is het hier.
Als toen de tijd… maar nee.

© Ben Joosten 2016

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (30)

Zo zit ik hier in de zon van mijn tuin en mijmer wat over de tijd die voorbijgaat. Mijn geest is als de fladderende dagpauwoog die in de vlinderstruik van bloem naar bloem gaat – en dan ineens, in plotselinge rust, zijn silhouet tegen de zomerhemel toont.
Zo is het met gevoelens ook. Lang fladderen ze rond, en laten ons niet met rust. Maar met de tijd doven ze uit. Zelfs pijn – die stille pijn die je verzekerde dat je nooit, nooit meer gelukkig zou zijn – zelfs de herinnering aan die pijn gaat op den duur voorbij.
Is het om haar, denk je dan, met een milde glimlach om je lippen, dat je niet slapen kon? Is het om haar? Wat had ze dan gedaan? En dan herinner je: een gebaar, een blik, een geur, iets wat ze zei. Heel even staat het scherp in je geheugen. Dan, net als die vlinder, is het weer weg. En wat er rest is die kalme melancholie, die komt wanneer de zon verdwijnt en in mijn tuin de avond valt.

 

zonder haar sliep ik
ook nu weer zo onrustig
deze zomernacht

 

eens geloofde ik
in jouw zoete praatjes
waar ben je vanavond?

 

hoeveel bladeren
er ook vallen; er vielen
nog veel meer woorden

 

een stoep vol bloemen –
en mijn illusies ernaast
in scherven

 

© Ben Joosten 2016

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen