My Toyota is fantastic!

1

Wind waait hier zonder ophouden, met wolken stof die soms zo dicht zijn dat het zicht bijna totaal verduisterd wordt. Maar als hij eindelijk gaat liggen daalt er een diepe stilte neer. De horizon verdwijnt in luchtspiegelingen, en in dat toverlandschap wil ook de geest zich wel verliezen in dwaalwegen en illusies. Zie je die berg daar, bijvoorbeeld, die daar in de verte torent als een vesting met geschutspoorten en kantelen? Die berg, zegt men, was ooit het voorwerp van een alomvattende, verzengende rivaliteit tussen twee minnaars. Eén is er nog over – daar, links, die afgeknotte kegel van basalt. Lang geleden verliet hij zijn stenen voet en schoof zo dicht naar zijn geliefde toe als de bodem het hem toeliet. Zo staan ze daar nu nog. Van de verliezer, de afgewezen minnaar, is elk spoor verdwenen. Maar wie hem zoekt vindt hem misschien terug in de miljarden stukken gruis en steenslag op de vlakte van Tanezrouft.
Waarheid of legende? Ook bergen hebben een verborgen zieleleven, waar wij, eenvoudige schepselen, niets van weten. Hoe het ook zij, we waren niet gekomen om naar liefdesverhalen te luisteren, we wilden naar de Assekrem. Zo heten de bergen hier: Assekrem, Aker-Aker, Atakor, Sesker Akh. Namen die schuren als grint. Grote puisten van graniet of basalt, zwart geblakerd door de zon, gezandstraald door de wind van eeuwen. Uitgebrande vulkanen. Hellingen van kiezel en sintels. Je ziet het en denkt: de schepper van dit land moet een reus zijn geweest, of liever nog: een hele klas vol reuzenkinderen, die hun spel beu zijn geworden en hun bouwwerken achteloos neer hebben gesmeten, platgedrukt, schots en scheef door elkaar – dáár wilden ze een kathedraal bouwen maar staat alleen het orgel er nog, pijpen reikend tot in de hemel, dáár liggen de versteende resten van draken en fabeldieren, van knikkers uit een gigantisch knikkerspel, dáár liggen putten, kraters, vlakten vol bik – de echte Schepper kijkt het aan vanuit het zinderend hemelgewelf en lacht om ons gezweet daar beneden, ons nietige gepruts aan auto’s, lekke banden, kokend koelwater.

“Stel, je hebt een lekke radiateur”, zei Ali. Hij droeg een hagelwitte tulband en een even smetteloze sluier die zijn gezicht vrijwel volledig bedekte. Tussen beide stak een zonnebril, pilotenmodel. “Je staat midden in de woestijn. Nergens een garage. Je kunt geen kant op. Wat doe je dan? Ik zal je zeggen wat ik zou doen. Ik zou gaan zoeken naar kamelensporen. Want waar kamelen zijn geweest vind je kamelenmest en dat, beste vriend, helpt tegen alles. Je kneedt er balletjes van, zie je. Dat is het. Dat is de oplossing. Die balletjes druk je plat, en daarmee stop je het lek. Ik garandeer je: je rijdt met die radiateur zonder problemen van hier tot aan Timboektoe.” “Tot aan Timboektoe”, beaamde Moktar. “Laat dat maar aan Ali over. Hij weet de weg.”
Ali was een Touareg uit Timboektoe. We hadden hem ontmoet in Tamanrasset, de meest zuidelijke stad van Algerije. Autopech had ons er laten stranden, iets met de thermostaat, en op een middag, tijdens een wandeling, waren we benaderd door een lange, ietwat bedeesde man. Of we misschien aspirine hadden; hij had kiespijn. Inmiddels, twee dagen later, zaten we in het theehuis boven de Source Tahabort, en bood hij aan, bij wijze van eeuwige dank, ons naar de Assekrem te rijden. We hadden over de berg gelezen. Het uitzicht zou er adembenemend zijn, de zonsopkomsten onvergetelijk. In de jaren voor de eerste wereldoorlog, schreven de reisgidsen, had er op de top een Franse pater gewoond, een zonderling, een heilige; zijn kluizenaarshut stond er nog steeds.
Op de een of andere manier waren we in de weken dat we haar hadden doorkruist langzaam in de ban geraakt van deze wonderlijke wereld. Die overigens alles deed om ons tegen zich in te nemen. De woestijn heeft van zoveel dingen teveel: teveel leegte, teveel hitte, teveel zand ook, overal, tot in je kleren en je slaapzak. Het is alsof ze zich beschermen wil tegen een overmaat aan aandacht. Alleen wie bereid is haar uitgestrekte vlakten op eigen kracht te trotseren, wie in staat is urenlang te zwoegen met spaden en zandplaten om uiteindelijk, als resultaat van al dat harde werken, niet meer dan een tiental meters op te schieten, wie genoegen neemt met lauw water, kleverige dadels en hard geworden brood met meegebakken vlooien als enige leeftocht, alleen die gunt ze tenslotte een blik op haar schatten: de plotselinge schoonheid van een waterpoel in de schaduw van een rotsspleet, de nachten met hun ongekende duisternis en doodse stilte, en niet te vergeten die eindeloze sterrenhemel waar je niet dan met zwijgend ontzag naar op kunt zien.
En nu, in dit theehuis boven de Source Tahabort, speelde op de achtergrond een cassettespeler met bijna lege batterijen jankend een nummer van Boney M. Niemand die er zich aan stoorde. We dronken thee en keken zwijgend naar de kleurige lappen die dienst deden als gordijnen en zachtjes wiegden in de wind. Hun schaduwen bewogen lui mee in de ruimte. Achter de lappen lag, nu eens volledig zichtbaar, dan weer deels bedekt, het voorwereldse landschap van de hoogvlakte. Het was of de woestijn naar ons knipoogde. We hadden het gehaald, alles was goed. Op de voorgrond stond een eenzame berg als een kale puist temidden van een dorre vlakte. Daarachter het gekartelde silhouet van het gebergte. “Pic Laperrine”, zei Moktar, en wees op het pakje sigaretten in zijn hand waarop de puist stond afgebeeld, met een viertal Touareg-krijgers aan zijn voet. Om ons te imponeren vertelde hij een griezelig verhaal over toeristen die met autopech waren gestrand en die van dorst zouden zijn omgekomen als hij ze niet gered had. Ali en Moktar deelden samen een Toyota Landcruiser. Op de achterruit zat een sticker met de reclameleus My Toyota is Fantastic! Op de zijkant stond grootsprakig Hoggar Tours. “We rijden ’s ochtends aan”, zei Ali “en gaan de volgende dag terug. Overnachten doen in we de Refuge, vlak onder de top. Het is donker als we daar aankomen, verder rijden is onmogelijk, er is van daaraf alleen een smal bergpad.”
“Weet je dat er toeristen zijn die in één dag op en neer willen?” vroeg Moktar, met gespeelde verontwaardiging. “In één keer. Heen en terug. Ze zijn gek.” “Wij doen het liever tout doucement”, zei Ali.
“Weet je wat het is met die toeristen”, zei hij, na een volgend kopje thee, “ze zijn onbezonnen. Alles moet maar vlug-vlug. Nu meteen. Zonder voorbereiding. Ze rijden veel te snel, alsof ze thuis zijn. Terwijl ze de weg niet eens kennen. Als ik bijvoorbeeld naar jou toe zou komen, in jouw land. Ik ken er de weg niet. Hoe zou ik? Ik was er nog nooit. Dus tot ik hem ken doe ik het langzaam aan. Misschien twintig, dertig kilometer per uur. Hooguit. Je breekt een as, je raakt zonder benzine. Wat moet je doen? Je kent de weg immers niet. Er kan van alles gebeuren.”
“Van alles,” beaamde Moktar. “Zeker hier. Dit is de Sahara. Hier weet je het nooit.”

2

Nog voor de echte klim begonnen was bestond het pad al voornamelijk uit rotsen en losliggend gesteente. We zaten op de achterbank, naast een missiepater uit Kameroen die een weekje op retraite ging bij de “broertjes van Jezus”, van wie een handvol nog altijd boven op de berg bleek te wonen, ter nagedachtenis aan de oorspronkelijke kluizenaar. Langs wanden van graniet, over afgronden, door kuilen, schuddend, hotsend, krakend op zijn assen, reed de Toyota steeds verder naar boven. In de verte verdween het silhouet van de eenzame berg, die vanaf deze plek gezien lang niet meer zo eenzaam was; andere bergen doemden achter, naast en voor hem op. De weg werd steiler, het uitzicht majestueuzer, en toen we halverwege pauzeerden wees Ali ons op rotsen waar figuren in waren gekerfd: pijlen, krijgers, struisvogels, paarden. Hoe lang geleden? Tweeduizend jaar? Drieduizend? Opzij van het pad lagen de resten van meer recente menselijke aanwezigheid. Ze riepen de vraag op wat wij in ons leven nu eigenlijk meer zijn dan voorbijgangers, reizigers, die komen en weer verdwijnen. Niets blijft dat nog van waarde is, wat rest zijn lege conservenblikken, prehistorische graffiti, het karkas van een Volkswagenbusje. Stille getuigen, door wind en zand gereduceerd tot louter vorm. En overal die leegte. Als er al iets groeide dan had het stekels, die zich door de zolen van je schoenen boorden als messen.
“Hierom”, zei de pater, toen ik hem vroeg waarom hij helemaal uit Kameroen hierheen gekomen was. Hij wees om zich heen. “Zie je de bergen? De woestijn? Zie je hoe leeg en puur alles is? Je ziel zit vol met afval van de wereld. Hier kun je haar legen. Hier is immers niets. Veeg dat huisje van je schoon, zei père de Foucauld, zodat Hij er naar binnen kan.” Daarop bood hij me een stuk droge worst aan.
Een laatste steile klim bracht ons tenslotte bij een paar stenen gebouwtjes binnen een omheining. De Refuge. Op een veldje van keien een paar triest kijkende ezels. Maar ja, zo kijken ezels altijd. Hoog boven ons, zwarte vlek tegen de avondhemel, stond de beroemde kluizenaarshut. Morgen zouden we hem van dichtbij zien. De pater waagde het erop om nu al verder te klimmen, in het donker, ongeduldig als hij was om zijn ziel te legen. Wij gingen naar binnen, waar we soep en linzen aten aan een lange tafel, een kluizenaarsmaal. Onze disgenoten waren van een ander slag, Britten, leden van de Royal Geographical Society. Ze aten met lange tanden en ik hoorde een van hen, een klein, roodhoofdig mannetje, gekleed in kaki tropenkostuum, stilletjes verzuchten: “My God, ik denk niet dat ik nog iets van die thee hoef”.
Het is een wonder om te zien hoe in het avondlicht het landschap zo volkomen van karakter kan veranderen: het harde grijs en bruin van overdag neemt de donzen kleur van abrikozen aan, de bergen blozen als jonge meisjes en zelfs de hemel, zo meedogenloos bij dag, verandert in een sprookjespaviljoen vol kleuren en sterren. Het duurde maar heel even. Binnen maakte Ali thee en Moktar toonde ons zijn schat: verpakt in lagen vloeipapier en plastic zat een fotoalbum. Kijk, zijn ouders. Zijn huis. De kleine Mariam en Saïda. Hij glimlachte vertederd. Toen pakte hij het weer zorgvuldig in, laag na laag; de lichten knipperden, ergens zette iemand de generator uit. De maanloze nacht daalde over ons neer. Het was koud. Rondom ons in de duisternis, de zware, zwijgende aanwezigheid van de berg.

3

De ochtend was nog niet aangebroken toen we, nog maar nauwelijks wakker, langs het smalle pad naar boven klommen. Het licht van de sterren begon al te verbleken, de hemel werd transparant, het was koud genoeg voor wollen truien. Plotseling bevond de berg zich niet meer boven ons maar onder ons, en om ons heen het wijde niets. De oostelijke horizon kleurde van indigo naar violet naar rood, met een rand van saffraan waar bergtoppen als de kromme vingers van een opgeheven hand naar boven wezen. Kleine goud gerande schapenwolkjes zweefden onbeweeglijk boven onze hoofden, alsof ze, net als wij, hun adem inhielden; alleen een groter wordend vlekje in het oosten dat net iets lichter van tint was dan de rest verried waar zo meteen de zon op zou komen.
De top zelf was een plateau vol keien. Aan de rand een kubus van ruwe steen, waar op een plaquette boven de deur gebeiteld stond: “Ermitage de l’ASEKREM du Père de FOUCAULD, 1912 – 1916.” Daaromheen gegroepeerd een handvol andere stenen gebouwtjes. Hier woonden de “broertjes van Jezus”, les petits frères de Jésus, die de nalatenschap van de beroemde kluizenaar in ere hielden. Rondlopend struikelde ik bijna over een van hen, een lange man in een bruine pij; ik liet hem in zijn meditatie en zocht zelf een plekje langs het muurtje aan de rand van het plateau. Er stond een stenen tafel van de Touring Club de France die liet zien welke namen bij de toppen hoorden waartegen nu de zon zijn eerste warme stralen wierp – meer namen van bergen: de Immadouzen, de Tezouaï met zijn dubbele spits, de Tidjamaïne (de “drietand”), de Inferdjan, de Assekenjab. Wat te zeggen van het uitzicht? Bergen tronen boven bergen, omarmen elkaar, verstikken elkaar, het is een doolhof van steen, gestolde dans, ondoordringbaar, onontwarbaar, grillig, grimmig, maar tegelijk van bijna sprookjesachtige schoonheid. Zo woest en zo verlaten. Zo ver het oog reikt bergen, pieken, spitsen, rotspartijen, in het ochtendlicht variërend in kleur van rozerood tot het allerdiepste purper. Dat alles lag daar aan mijn voeten, steen geworden droom. Ik kon er mijn ogen nauwelijks van afhouden.
“Alleen hier in de woestijn ben je werkelijk op jezelf aangewezen”, had de pater uit Kameroen gezegd. “Alleen hier besef je dat je niet meer bent dan een druppel water in de zee.” Maar ik moest ook aan de Perzische mysticus Rumi denken, die schreef: “Je bent geen druppel in de oceaan; je bent de hele oceaan in één druppel.” Spraken die twee elkaar nu tegen, of zeiden ze eigenlijk allebei hetzelfde? Een druppel in de oceaan – een zandkorrel in de woestijn – een stuk steen op een berg. En langzaam ving die berg het licht van de zon. Een nieuwe dag stond op het punt van beginnen, een nieuwe dag in een zee van tijd.

4

Ali en Moktar sliepen nog en vonden het helemaal niet erg dat we liever te voet naar beneden wilden gaan. Ze zouden ons later, aan de voet van de berg wel weer oppikken. De uitbater van de Refuge bood daarna omstandig zijn excuses aan voor de wolken die de opkomst van de zon hadden ontsierd, alsof hij er zich persoonlijk voor verantwoordelijk hield. En ook al zeiden we dat het niet gaf, dat het juist wel pittoresk was, zo met die wolken, die trouwens ook maar klein waren, hij bleef aandringen. “Weet u wel hoe mooi het op een wolkeloze ochtend is, nee, natuurlijk niet.” Hij schonk ons koffie in en aan dezelfde lange tafel waar we gisteren dineerden ontbeten we met vers gebakken brood en vruchtengelei.
Was het om het afscheid van de berg nog wat te rekken dat we zonder onze chauffeurs aan de afdaling begonnen? Nog wat langer te genieten van die wilde verlatenheid, dat bizarre labyrint van steen, alleen te zijn temidden van de leegte? In plaats van de haarspeldbochten van de weg te volgen sneden we ze af via smalle, nauwelijks zichtbare paadjes, sprongen als geiten van rots naar rots, langs scheuren en gaten waaruit soms doornige plantjes groeiden, de ochtend was nog jong, zelfs bijna fris, straks zou de hitte weer ondraaglijk zijn maar nu en op deze hoogte nog niet; ik dacht nog altijd aan de waterdruppel en de zee en plotseling schoot me een dichtregel van William Blake te binnen: “de wereld zien in een korrel zand”; ik herinnerde me een andere berg die ik jaren daarvoor had beklommen in Schotland, ook een voormalige vulkaan net als deze, maar dan met dicht beboste hellingen en nauwe ravijnen, waar kristalheldere beekjes omlaag stroomden en je vanaf de top de zee kon zien, ver weg – althans totdat de mist opkwam – en ’s avonds in de pub luisterden we naar spookverhalen, reciteerden gedichten en zongen liederen, niet over bergen, maar over whisky en bier. Hoe lang zou het geleden zijn, dacht ik, dat over deze bodem vloeibare lava stroomde? En wat had de berg sindsdien allemaal zien komen en gaan? Tropische wouden, grazige weiden, meren, moerassen, rivieren, mensen die op rotsen tekenden. Nu waren alleen de Touareg er nog, met hun leren tenten, hun Toyota’s en hun gezichtssluiers, en hun thee die ze zo bitter zetten dat alleen heel veel suiker hem drinkbaar maakt.
To see the world in a grain of sand / And Heaven in a wild flower / Hold infinity in your hand / And eternity in an hour.
Een berg afdalen is iets anders dan hem beklimmen. Het is niet alleen het perspectief, dat niet langer omhoog is gericht maar naar beneden; er is meer. Iets van ons is op de berg gebleven, iets anders heeft de berg ons meegegeven. De berg is nog steeds de berg, wij zijn nog steeds onszelf, maar we hebben op de top gestaan! We hebben op de wereld neergezien! Ik had daarboven op dezelfde plaats gestaan waar, in de woorden van onze reisgenoot uit Kameroen, de kluizenaar zijn huisje had schoongeveegd. Zou ik zo kunnen leven, alleen op mijn rots, met alleen mezelf als gezelschap? Nee, ik leek maar geen afscheid te kunnen nemen van deze berg.
We waren nog niet lang op de afgesproken plaats toen Ali en Moktar ons, klaarwakker en vrolijk gebarend, achterop kwamen. Het was nog zeker een uur rijden naar Tamanrasset. Halverwege troffen we twee Duitsers in een blauwe Peugeot, beteuterd kijkend naar een scheur in hun oliecarter. “Kamelenmest!”, riepen we de onfortuinlijke gestranden toe. “Van hier tot aan Timboektoe!” En juist op dat moment kwam er een rij Toyota Landcruisers langs, luid toeterend. Er was ergens beneden een buslading toeristen gearriveerd, en die wilden nu allemaal de berg op. “My Toyota Is Fantastic” stond schreeuwerig op de achterruit geschreven. We keken elkaar meewarig aan. “In één keer op en neer. Ze zijn gek.”

 

© 2019 Ben Joosten

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s