Gumbo (3) Een Bambara prins in New Orleans

Het heeft geregend, met gerommel van donder; nu ligt hij in zijn bed en luistert naar het nachtelijk concert van de brulkikkers, de nachtzwaluwen, de duizenden insecten. Maar onder al dat vertrouwde krassen, krijsen en zoemen, dat wok-wok-wok en wipperdiewil klinkt, net op de drempel van zijn gehoor, een dof, zuigend stampen dat hem al weken wakker houdt: het is als moddervoeten op een planken vloer. Hij weet wat het is, het zijn de voetstappen van de tijd. Ze komen dichterbij; straks halen ze hem in.
Binnen in hem woedt een ziekte die zijn bloeddruk opjaagt en zijn nieren opblaast tot ze pijn doen. Hij neemt kruidenbaden; ze helpen niet. Soms, als hij uit een diepe slaap wakker schiet, lijkt het of hij ergens anders is; dan hoort hij de geluiden uit een verre tijd, echo’s van zijn dromen: het stampen van het graan in de vijzel, de liedjes van zijn moeder, het zoemen van de snaren van de ngoni. Het is al zo lang geleden dat hij de beelden niet meer heeft, alleen de geluiden zijn er nog.
Zouden ze nog leven, denkt hij. Zouden de mannen nog steeds dansen op het ritme van de jagersharp? Hij weet niet dat de laatste Bambara-koning in gevangenschap geëxecuteerd is en dat er nu een Toucouleur in Segou op de troon zit. Maar ook over diens lot is al beslist, ook dat weet hij niet: hoe in Berlijn de nieuwe wereldheersers lijnen op de kaart van Afrika hebben getrokken en het land van zijn voorouders hebben toegewezen aan de Fransen, datzelfde volk dat ooit deze stad aan de Mississippi heeft gesticht: New Orleans.
Het is 1885. In New York is zojuist het schip aangekomen met aan boord het Vrijheidsbeeld. In Aben, Louisiana wordt Joseph Nathan Oliver geboren, die onder de naam King Oliver de geschiedenis zal ingaan als de vader van de New Orleans jazz. En in die stad, New Orleans, op een hete augustusnacht, ligt Jean Montanet op sterven, de man die iedereen kent als dr. John, de laatste der voodoos.

Als we Lafcadio Hearn moeten geloven – en we zullen wel moeten, hij is nu eenmaal onze enige bron – waren Jean Montanets laatste jaren een aaneenschakeling van schulden en geldgebrek. De man die als een vorst geleefd had, die niet wist wat hij met zijn geld aan moest en het dus maar als een godfather uitleende aan wie er maar om vroeg, die feestmalen liet aanrichten onder de armen met schalen vol gumbo en jambalaya 1), die man had op het eind van zijn leven geen stuiver meer. Geen eigen huis, geen geld, helemaal niets.
Zijn geluk schijnt hem definitief in de steek te hebben gelaten toen hij, oude dwaze man, per se lezen en schrijven wilde leren. Zijn leermeester, die hem “bij wijze van oefening” zijn naam onder een stuk blanco papier liet zetten, had andere plannen – na die dag was het perceel aan Bayou Road en Prieur Street plotseling van eigenaar gewisseld. De loterij deed de rest. Zoveel mensen hadden zijn adviezen opgevolgd en hadden kleine en grote fortuinen gewonnen; zelf kocht hij nu lot na lot maar won nooit iets. Hij die ooit een Bambara prins was, was nu alles kwijt. Een bedelaar. Zijn laatste bezit was een bed in het huis van zijn dochter Alicia.
“Vaak, op een heldere nacht,” schrijft Hearn, “zagen de buren hem in zijn eentje op een straathoek staan, naar het uitspansel starend, plukkend aan zijn wollige baard, terwijl hij in een onbekende taal tegen een onzichtbare aanwezigheid sprak. Als hij weer eens zo’n bui had wisten ze wel hoe laat het was, en dat hij de volgende dag zou proberen van deze of gene in de buurt een paar dollar te lenen.”

“Type Bambara”, 1885

Het moet het toeval zijn geweest, en wat voor een merkwaardig toeval. Net in de tijd dat Frankrijk de slavernij afschafte om hem daarna toch maar weer opnieuw in te voeren, en Engeland op zijn beurt de slavenhandel illegaal verklaarde en zelfs de Afrikaanse kust blokkeerde om te verhinderen dat er nog slavenschepen zouden vertrekken; juist op dat moment waarop de handel in het “levend ebbenhout” ten dode opgeschreven leek, waren het uitgerekend de Spanjaarden die er doodleuk en vol enthousiasme mee begonnen. Eeuwenlang had de Spaanse kroon contracten – asientos – uitgegeven om de Spaanse koloniën van slaven te voorzien. Het contract ging naar de hoogste bieder, of het nu Portugezen, Genuezen, Hollanders of Engelsen waren, zolang ze maar tegen de vastgestelde prijs het vastgestelde aantal slaven leverden. Geen Spanjaard die er zelf zijn handen aan brandde.
Maar plotseling behaagde het zijne Majesteit de Spaanse koning om het staatsmonopolie op te heffen en de handel vrij te geven. Plotseling ook had Cuba, tijdenlang goed voor hooguit wat scheepsladingen tabak per jaar, duizenden slaven nodig. Haïti, het koninkrijk van de suiker, was sinds de revolutie voor de handel verloren, en overal in het Caraïbisch gebied schoten daarom de nieuwe suikerplantages uit de grond. Zo ontdekte ook Cuba het zoete goud. Om aan de vraag te voldoen werden in Cadiz in allerijl handelsfirma’s opgericht, op de werven van Barcelona rolden brigantijnen, schoeners en fregatten bij tientallen van de scheepshellingen. Tussen 1790 en 1819, vermeldt het Archivo General de las Indias in Sevilla, vervijfvoudigde het aantal ingevoerde slaven in de haven van Havanna. In 1817 waren het er bijna 26.000, aangevoerd in 81 schepen. Tweeënveertig procent van hen, want ook dat is gearchiveerd, was minderjarig: 11.233 jongens en meisjes tussen zeven en zeventien jaar oud. 2)
Het zal hetzelfde toeval zijn geweest dat wil dat in diezelfde tijd het achterland van Senegal in staat van anarchie verkeert. De oorlogstrom klinkt overal: bij de Bambara van Kaärta die ten strijde trekken tegen de Toucouleur van Fouta Toro, tegen de Diawara, tegen Bambouk; bij de Peul van Cheikou Ahmadou die oorlog voeren tegen de Peul van Macina; en niet te vergeten bij de Bambara van Segou die een broederstrijd uitvechten met de Bambara van Kaärta. Binnenkort zal een jonge onderwijzer uit Fouta Toro, net terug uit Mekka, de jihad uitroepen en over de savanne razen als een storm waarbij vergeleken déze oorlogen nog maar briesjes zijn. Maar nu nog niet, nu zwerven er Moren en Marka-handelaren rond die krijgsgevangenen kopen van de strijdende partijen, en als ze de kans krijgen links en rechts in de chaos wat kinderen roven, want die bieden maar weinig weerstand en leveren toch geld op. Het is aan moslims weliswaar verboden om mede moslims tot slaaf te maken, maar een heidense Bambara, dat is wat anders… Iedereen weet immers dat de Bambara fetisjisten zijn, afgodendienaars; betekent hun naam niet “zij die weigeren zich te onderwerpen”?
En zo zal het zijn gekomen dat een jonge Bambara-prins ergens op de savanne tegen zijn wil gevangen genomen wordt, geketend meegevoerd in een karavaan, in een haven ergens aan de kust verkocht wordt, en tenslotte een van die tweeënveertig procent is die in Havanna aan wal gaat, in een nieuwe wereld, ver van alles wat hij kent en wat hem lief is.

Afgezien van al dat oorlogvoeren is er op het eerste gezicht sindsdien niet veel veranderd in de West Afrikaanse savanne, vermoed ik. Dit schreef ik vijfentwintig jaar geleden, tijdens een treinreis van Bamako naar Dakar, over het uitzicht uit mijn coupéraam: “Landschap met rode rotsen als in spaghettiwesterns. Dorpjes met huizen van leem maken plaats voor rieten hutten. Koopwaar: bananen, pinda’s, glazen thee. Plotseling: witte duiven die opvliegen. Een rivier bij Mahina in een vlak land vol bomen en stukken geblakerd grasland. Geiten. Kinderen zwaaien de trein na. Wasgoed droogt op hooimijten.”
In een van die slaperige, hete Sahel-stadjes, jaren eerder en ook wat verder naar het oosten, maar verder in niets verschillend van de stadjes in Bambaraland, toen en nu, bevond ik mij op een dag midden op de markt, in een doolhof van kramen en kraampjes. Onder een laag strooien afdak zat een oude man temidden van een schijnbaar ongesorteerde hoop bric a brac: kippepoten, geitestaarten, slangenhuiden, bultige leren zakjes met onduidelijke inhoud, vreemde kluwens wollen draad en andere curieuze voorwerpen, waaronder een verzameling oude koloniale munten. Helaas sprak de man alleen Haussa, en ook een jongetje dat bij ons kwam staan en wel Frans sprak kon me niets wijzer maken over wat daar allemaal uitgestald lag.
Dat was het dus. Gris-gris. Daar lagen ze. Sindsdien zag ik ze overal. Iedereen had wel iets om zijn hals hangen, om zijn arm gebonden of ergens op of in zijn kleren genaaid. Nu ik dit schrijf vermoed ik dat Jean Montanet zich er weer onmiddellijk thuis zou hebben gevoeld. Niets veranderd, al is de muziek tegenwoordig elektrisch en rijden de krijgers niet langer te paard maar in luidruchtig ronkende toyota’s. Zelfs de jihadi’s zijn inmiddels weer helemaal terug, met alle gevolgen van dien. En op winkelpuien van Bamako tot Bobo Dioulasso prijkt hier en daar in grote letters de naam Coulibaly – de naam van het oude koningsgeslacht van Segou.

I got medicine to cure all your ills – reclamebord in Bobo Dioulasso

Was Jean Montanet een Coulibaly? Of was hij een afstammeling van de usurpator Ngola Diarra? Of misschien een Massasi van Kaärta? We weten er niets van. Dat komt wellicht omdat in de negentiende eeuw, toen zijn verhaal door Lafcadio Hearn werd opgetekend, er nog bijna niemand was die iets wist over de koninklijke dynastieën van West Afrika of er zelfs maar belangstelling voor had. Een Bambara prins in New Orleans – zo had je na de oktoberrevolutie de kans om in Parijs of Londen in een taxi te stappen met een lid van de Russische adel achter het stuur. Een romantisch idee, maar je wil toch op de eerste plaats op tijd op je bestemming zijn.

Op een hete nacht in augustus 1885, met de geur van regen in de lucht, ligt in New Orleans een man op sterven.
Waaraan denkt hij? Waarvan droomt hij? Een paar jaar eerder, weten we, tijdens de gele koorts epidemie die vierduizend inwoners van de stad fataal werd, werden twee van Jean Montanets kinderen ook door de ziekte getroffen. Hearn tekent het verhaal op uit de mond van een ooggetuige. “Ik heb dan misschien geen geld”, zou de doctor hebben gezegd, “maar ik kan mijn kinderen genezen”. Hij plukte wat kruiden uit de goot; geen mumbo-jumbo, geen geheimzinnigheid, gewoon een handje kruiden. De volgende dag, aldus de getuige, speelden de kinderen weer op straat.
Zijn kinderen kon hij genezen, maar voor hemzelf is het te laat. Denkt hij daaraan, of is hij het denken moe?
Morgen zal zijn dochter aangifte doen van zijn dood. Op zijn akte van overlijden zal staan dat John Montancé (sic), geboren in Afrika, is gestorven aan de ziekte van Bright, op 23 augustus 1885.
Er komt geen overlijdensbericht in de krant.

 

1) Gumbo is een gerecht uit de traditionele keuken van New Orleans; een dikke soep die wordt gebonden met de vrucht van de plant die in het Nederlands okra heet (abelmoschus esculentus) en in Afrika gombo. Een variant is de Surinaamse okersoep (okrosupu), in 1973 bezongen door Lieve Hugo, King of Kaseko.
Jambalaya, in de popmuziek vereeuwigd door Hank Williams, is een rijstgerecht dat tot dezelfde culinaire familie behoort als de paella, de pilav en de risotto. In West Afrika komen we het tegen onder de naam jollof rice of riz senegalais, een zeer geliefde lekkernij, terwijl ze in Suriname moksi aleysi kennen, een variant die met kokosmelk wordt bereid.

2) Herbert S. Klein, The Cuban Slave Trade in a Period of Transition, 1790-1843. In: Outre-Mers, Revue d’Histoire, année 1975, no. 226-227.

 

© Ben Joosten 2019

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Gumbo (3) Een Bambara prins in New Orleans

  1. Het lezen van deze melancholische tekst gaf mij een heel merkwaardig plezier.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s