Gumbo (2) Zwevend tussen de werelden

Daar!
Daar, op dat stuk drassig land tussen de Mississippi en Lake Pontchartrain, die grond die doorsneden wordt door bayous, geschiedenis geworden moerasslijk, daar: de stad die ze The Big Easy noemen, New Orleans. Geboortegrond van jazz en funk, van meer muzikanten dan welke stad ter wereld ook, geboortegrond ook (bij adoptie) van de eerste dr. John, Voodoo John: John Montane – of was het Jean Montanet?
In die stad meerde hij aan. Spaans onderdaan, stond er in zijn paspoort, emancipado. Hij had de halve wereld gezien, tientallen havens aangedaan, en uitgerekend daar, in New Orleans en nergens anders, ging hij aan land. Jean Montanet, vrijgelaten slaaf, werd John Montane (Montanee), free man of color. Amerikaan.
En dan gebeurt het. In het havenkwartier met zijn wirwar van loodsen, pakhuizen, werkplaatsen, vindt hij een baan als katoenwalser. De balen katoen staan er hoog opgetast, klaar om te worden verwerkt in de walsmachine. Ze zijn gemerkt met krijt. Cijfers, letters. En hij, die zwarte, die gedroste matroos, Afrikaan, Spanjool, wat is-ie eigenlijk, die nieuwe, die de wals bedient, die niet eens kan lezen of schrijven – hij bestudeert die krijttekens, heel ernstig, en zegt tegen de voorman: het gaat een jongen worden. Absoluut. Wanneer? Het zou me niks verbazen als het er al op vrijdag is.
En het is er op vrijdag! Niemand weet hoe hij het doet, maar al zijn voorspellingen kloppen, het kind is een jongen, het lot gekocht op die-en-die dag valt in de prijzen, het meisje zegt “ja, ik wil wel met je uit.”
Het woord gaat rond, die zegt dit, die zegt dat, en daarmee begint de legende van Doctor John. Die zoveel cliënten krijgt, zoveel mensen die hun toekomst willen weten, blanken zelfs, gezeten burgers, mensen met geld, dat hij zijn baan eraan geeft en met zijn waarzeggerij (en voor je het weet komen er kruiden bij, drankjes, pillen, poeders) genoeg dollars verdient om een huis en een stuk grond te kunnen kopen. En daar te leven als een vorst. Zegt hij niet dat hij ginds, in Afrika, een prins was geweest?

De meeste verhalen over Jean Montanet danken we aan een artikel dat in november 1885 – drie maanden na zijn dood – verscheen in het tijdschrift Harper’s Weekly. 1) Het was van de hand van een zekere Lafcadio Hearn, nog zo iemand over wiens leven een lijvige negentiende-eeuwse avonturenroman geschreven zou kunnen worden (google hem!).
The Last of the Voudoos, heet dat artikel – “niet omdat dat merkwaardige genootschap waartoe hij behoorde met zijn dood heeft opgehouden te bestaan”, aldus Hearn,

“maar omdat hij de laatste werkelijk belangrijke figuur was in een lange rij van Afrikaanse tovenaars en heksen wier aanspraken en gezag werden erkend door de zwarte bevolking. Ongetwijfeld zullen duistere occultisten nog jarenlang doorgaan hun “queens” en hogepriesters te kiezen, maar onder invloed van het openbaar onderwijs is het geloof in hekserij langzaam maar zeker aan het verdwijnen, en geen enkele zwarte hiërofant zal het nog lukken met zijn mystieke kennis zoveel respect af te dwingen als waartoe Voudoo John in staat is geweest.”

Het is, achteraf, de vraag of het optimisme van Lafcadio Hearn wel gerechtvaardigd was. Openbaar onderwijs of niet, mojo’s, gris-gris en andere tovermiddelen worden nog altijd verkocht in New Orleans; en er zijn zelfs websites die vertellen hoe de geest van de doctor op te roepen – benodigdheden zijn onder andere: aarde afkomstig van het kerkhof van St. Roche, water uit de bayou St. John, de wortels van de “hoge” en de “lage” john the conqueror (resp. de ipomoea purga en de trillium grandiflorum). Wel wordt de aspirant geestenbezweerder gewaarschuwd: “vraag dr. John niet meteen om gunsten. Begin met een eenvoudige offerande en probeer zo contact te maken. Maakt hij zijn aanwezigheid kenbaar dmv dromen, visioenen of fysieke verschijningen, dan is de tijd rijp om hem om gunsten te vragen.” 2)
Zijn dat nou alleen maar verzinsels, is het folklore, zoals ook het gerucht – Hearn schrijft erover – als zou een deel van Montanets rijkdommen nog altijd op dat stuk land aan Bayou Road en Prieur Street begraven liggen? Maar toch: 10 miljoen zoekresultaten voor “New Orleans voodoo” – en dan zeggen dat wij in verlichte tijden leven!

Amulet met handtekening van Jean Montanee

Terug naar de feiten.
Lafcadio Hearn schrijft in zijn artikel dat John Montane bij zijn overlijden, 23 augustus 1885, honderd jaar oud was. Het is onduidelijk hoe hij bij die leeftijd komt, misschien maakte het deel uit van de legende, maar waarschijnlijker is dat de doctor in werkelijkheid zo’n vijftien jaar jonger was. Volgens de gegevens van de volkstelling van 1880, begin deze eeuw opgediept door Carolyn Morrow Long, was de “indian doctor” genaamd John Montane, woonachtig op 232 Prieur Street, New Orleans, op dat moment 79 jaar. 3) Hij zou dus omstreeks 1800 of 1801 geboren zijn. Dezelfde gegevens maken melding van een echtgenote, genaamd Armantine, en vijf kinderen.
Twintig jaar eerder, bij de volkstelling van 1860, was er nog sprake geweest van een zekere Mathilde, en maar liefst zeven kinderen. In dat jaar had de ijverige ambtenaar bij de vermelding van het beroep (“physician”) het niet kunnen laten om tussen haakjes als commentaar “kwakzalver” toe te voegen. Wat er tussen 1860 en 1880 met Mathilde en haar zeven kinderen is gebeurd zal overigens wel altijd een raadsel blijven.
De vroegste vermelding van de doctor is te vinden in de gegevens van de volkstelling van 1850; daar komt hij voor onder de naam Jean Montanet en is hij de eigenaar van het fameuze koffiehuis (zoals bij ons tegenwoordig was “coffeehouse” in het New Orleans van de negentiende eeuw een eufemisme voor iets anders – in dit geval een bordeel) waarin hij later wegens illegale voodoopraktijken zou worden gearresteerd samen met Mac Rebennacks betovergrootvader, zoals in de eerste aflevering van dit meerluik te lezen viel.

Eerdere schriftelijke getuigen van Jean Montanets bestaan zijn niet voorhanden. Of er moest in de slavenregisters van Cuba iets te vinden zijn – Lafcadio Hearn vertelt hoe hij vanuit “een of andere Spaanse haven” naar dat eiland verscheept werd (maar niet wanneer dat was), en dat zijn eigenaar, bij wie hij in dienst kwam als kok, hem uiteindelijk zijn vrijheid schonk. Iets wat trouwens in de Spaanse koloniën (in tegenstelling tot de VS) helemaal niet ongewoon was. Vaak kreeg de vrijgelaten slaaf bij zo’n gelegenheid de achternaam van zijn gewezen meester, en het lijkt erop dat zoiets hier ook het geval is geweest: een eenvoudige zoekopdracht op google leert tenminste dat er nog altijd Cubanen op het eiland rondlopen met de naam Montanet; een van hun voorouders zal de man zijn geweest die de man die wij kennen als dr. John zijn vrijheid en zijn naam gaf.

Twee kwesties vragen nog om opheldering.
Om met de eerste te beginnen: wat gebeurde er tussen Jean Montanets vrijlating in Cuba en zijn aankomst in New Orleans? Hearn schrijft dat hij scheepskok werd op “een of ander Spaans schip”. Ook dat blijkt helemaal niet ongewoon te zijn geweest; er zijn studies over zeelieden in de 18e en 19e eeuw waaruit blijkt dat een groot deel van hen zwart was – in de VS rond 1800 zo’n 17 procent, oplopend tot meer dan een kwart. De meeste van hen waren bovendien vrije zwarten. De beroemdste was Olaudah Equiano, een door de Britten gevangen genomen Igbo (uit het huidige Nigeria) die lezen en schrijven leerde, met verdiensten uit privé-handeltjes zichzelf vrij wist te kopen (voor de som van 40 Engelse ponden), en een boek over zijn leven schreef dat een bestseller werd, rivaliserend in populariteit met Robinson Crusoe. Een andere vrije zwarte, met de prachtige Melvilleaanse naam Absalom Boston, schopte het tot kapitein van een walvisvaarder (!).
Het was natuurlijk maar een minderheid die kapitein werd – de functie aan boord die het meest door vrije zwarten werd bekleed, leren we uit die studies, was die van scheepskok. De zwarte scheepskok groeide zelfs uit tot een nieuw stereotype.

ill. Thomas McLean, 10 Feb 1831, National Maritime Museum, Greenwich, London, https://collections.rmg.co.uk/collections/objects/127866.html pw3731

Wat, vraag ik mij af, bewoog deze mensen om te gaan varen? Waarom gaan zij scheep, matroos, kok, kapitein? Waarom trotseren zij scheurbuik en schipbreuk, waarom, waarvoor – wanneer het niet om vrijheid is? Waarom vlucht de slaaf van zijn plantage, ontsnapt naar de kust, vindt een haven en een schip en een kapitein? Die hem meeneemt de wereld in, de vrijheid tegemoet! Ze varen naar Haïti en keren terug met nieuwe papieren: Haïtiaans staatsburger – vrij man!
Dat doet de zee; ze neemt, maar ze geeft ook.
De zee is vrij, het land stelt wetten. De Negro Seaman’s Laws maken het vanaf de jaren 1820 aan zwarte zeelieden vrijwel onmogelijk om in de zuidelijke staten van de VS van boord te gaan, tenzij om te worden gevangen gezet. Want zo beducht zijn ze daar sinds de Haïtiaanse revolutie geworden voor vrije zwarten, die tegennatuurlijke, onmogelijke wezens: zwarten die geen slaaf zijn! Terecht begrijpen ze dat het loutere bestaan van deze mensen het instituut van slavernij ondermijnt.
Jean Montanet, vrij man, scheepskok, Afrikaan, die de zeven zeeën heeft bevaren en inmiddels zijn talen spreekt, is niet bang. Hij gaat aan wal in New Orleans, wet of geen wet. Hij zou niet mogen bestaan? Maar hij bestáát! De zee, heeft hij geleerd, maakt geen onderscheid tussen wit of zwart; voilà! Is hij geen Bambara prins uit Senegal? Dit lees ik in een boek dat een reizende tentoonstelling begeleidde van The Mariners’ Museum in Newport News, Virginia: 4)

“Voor de Bambara in Senegambia (…) kwam iemands ziel of levenskracht na zijn dood onder de hoede van Faro, een androgyne watergeest. Verkwikt en gezuiverd in zijn verblijf onder water zou de ziel dan opnieuw verschijnen in het eerstgeboren nieuwe lid van de familie.”

Jean Montanets ziel hoeft niet te wachten op zijn lijflijke wedergeboorte. Als schepeling zwevend tussen de wereld onder en boven water, de wereld van zij-die-leven en zij-die-dood zijn, kippen plukkend in zijn kombuis, voedt de kok zich met de geestkracht van zijn Bambara-voorouders en zal uiteindelijk, verkwikt, gezuiverd, herboren, opduiken in wat zijn laatste woonplaats wordt: New Orleans. De prins, gewezen slaaf, ex-matroos, wordt een nieuwe mens: waarzegger, bordeelhouder, wonderdokter, weldoener.

Er rest nu nog één vraag: hoe zit het dan precies met die Bambaraprins? Wie was Jean Montanet voordat hij slaaf werd? Kunnen we daar achter komen? Meer daarover in deel drie.

1) Lafcadio Hearn, The last of the Voudoos. In: An American Miscellany, vol. 2, 1924; oorspr. Harper’s Weekly, November 7th, 1885.

2) Denise M. Alvarado, Dr. John Montanee: Father of New Orleans Voudou. Zie http://www.conjuredoctors.com/dr-john-montanee.html#

3) Carolyn Morrow Long, Spiritual Merchants: Religion, Magic, and Commerce. University of Tennessee Press, 2001

4) W. Jeffrey Bolster, Black Sailors Making Selves. In: Captive Passage: The Transatlantic Slave Trade and the Making of the Americas. Smithsonian Institution Press, 2002.

© Ben Joosten 2019

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s