Brief aan mijn vader

Vandaag zou mijn vader 94 zijn geworden. Ik probeer me dat voor te stellen, maar dan zie ik weer die breekbare oude man voor me die hij was vlak voor hij stierf, tien jaar geleden. Het was goed zo, zeg je dan. Hij was de dood al eens te slim af geweest; twee keer lukt zoiets niet. Op een ijskoude dag in januari zag ik hem letterlijk zijn laatste adem uitblazen. Toen was het voorbij.

foto Voorkant

Ja het is waar, het is alweer een tijd geleden. Ik heb de steen maar schoongeveegd, al was het niet echt nodig; ik weet toch wel wat er staat. Maar het leek me gepast, een teken van respect. Nu staren de letters me aan, koud in hun granieten omlijsting. Ik staar terug; het begint opnieuw te sneeuwen.
Een voor een zie ik de vlokken vallen en ditmaal laat ik ze; laat ze maar vallen. Laat alles maar verdwijnen onder het witte floers van deze winter, alle lelijkheid, de kale takken, de vazen met verlepte bloemen, al die tekens van de dood. Laat ze maar oplossen in het niets, totdat alleen wij er nog zijn.
Ik en die steen.
U en ik.
Mannen onder elkaar.

Mijn gedachten dwarrelen doelloos rond, haast net zo langzaam en gewichtloos als de sneeuw. Het is alsof de kou alles vertraagt. Ik denk aan die foto die u me kort voor uw dood gaf. Ik zie hem zo voor me, dwars door de rookpluim van mijn eigen adem heen, alsof ik hem hier in mijn hand houd.
Het groezelig zwart-wit is half verkleurd tot sepia en toont een jongeman, die stijf en ongemakkelijk poseert tegen een achtergrond van zand en kale struiken. Hij draagt een leren motorjas, een koppelriem, patroontasjes, een ouderwetse pothelm en aan de rechtervoet houdt hij zijn karabijn. Voorjaar 1940, schietoefening Waalsdorpervlakte staat achterop geschreven, in dat handschrift dat ik zo goed ken.
Toen ik net zo oud als was als die jongen op de foto, was u net zo oud als ik nu ben.

Van mij is er ook eens zo’n foto gemaakt. Niet in de houding, met het wapen aan de voet, maar tijdens een veldoefening op de hei, aan een touw boven een plas. Ik weet niet veel meer van die dag, behalve dan dat het koud was en ik wilde dat ik ergens anders was.
Waar dacht u aan, toen van u die foto werd gemaakt? Uw blik verraadt niets.
Hoopte u, net als ik, dat het niet al te lang zou duren? Uw ogen zijn tot spleten samengeknepen, uw mond staat ernstig, vastberaden.
Niet lang nadat die foto gemaakt was, veranderde de wereld.

Ik heb ze vervloekt, dat mag u rustig weten, die oefeningen op de hei, het uniform, de dienstplicht. Ik was niet uit dat hout gesneden. Ik weet niet wat ik gedaan zou hebben als het erop aan gekomen was, als ik die jongen op de Waalsdorpervlakte was geweest.
We hebben iets gemeen, die jongen en ik. Er is iets wat we allebei niet weten. Hij weet niet wat er aankomt. Ik weet niet hoe het is geweest.

U sprak niet veel over de oorlog. U was niet zo van het achterom kijken; en ik was er al helemaal niet mee bezig.
Ik had een vaag beeld, gevormd door fragmenten van verhalen, zinnen die zo af en toe, tussen vlees en aardappels door, aan tafel werden uitgesproken: een soldaat die van zijn motor werd geschoten, stervende jonge mannen in de modder, een krijgsgevangenenkamp.
Het bleef allemaal ver weg en onbesproken. Wat wel gezegd werd was dat wij kinderen dankbaar mochten zijn het niet te hebben meegemaakt.
Pas achteraf besefte ik dat er nóg iets was om dankbaar voor te zijn: zonder die oorlog waren wij er niet geweest. Als er geen Arbeitseinsatz was geweest, als u niet had hoeven onderduiken, als, als, als …
Zonder die slingerpaden van het lot had u mam niet ontmoet en had ik hier nu niet gestaan. Misschien iemand anders, misschien niemand, maar niet ik.
Daaraan denk ik, hier op deze stille begraafplaats, terwijl de wereld langzaam oplost in een wit vergeten. Alles verdwijnt, leegte omgeeft me als een stolp.
Dit is ons kleine universum: bomen, kale struiken en een man naast een steen. Schud de bol en het sneeuwt.
En dan denk ik aan het verhaal van het briefje.

Op de dag van de crematie aten we soep en broodjes. Tante Annie zat aan onze tafel. Heel zakelijk vertelde ze over de oorlog, hoe het voor haar was geweest. Dat ze elke keer als de konvooien kwamen met de terugkerende soldaten, aan de hand van oma naar de kapotgeschoten brug liep: dat u er nooit bij was.
Steeds diezelfde tocht langs de kade naar de brug, het zwijgende wachten, de hoop, de teleurstelling. Altijd vol verwachting de colonne vrachtwagens zien komen, altijd weer naar huis moeten gaan zonder u.
Tot er op een dag een soldaat was met een briefje. Het was haastig geschreven, in hetzelfde handschrift als dat van die foto, en het maakte aan alle hoop meteen een einde. Het heeft, vertelde tante Annie, al die jaren nog in oma’s portemonnee gezeten, totdat het van ouderdom niet meer leesbaar was.
Ik begrijp nu waarom u er nooit over hebt verteld.
In het aangezicht van de dood past alleen respectvol zwijgen. U had de dood in de ogen gezien en een tweede kans gekregen, een tweede leven. Dan is men stil en stelt geen vragen meer.
Dit is wat er op het briefje stond: “Ik sta voor de muur om doodgeschoten te worden.”

Ik kijk om me heen. Er is niemand. De wereld is wit en leeg, maar de kou die me besluipt komt niet van buiten. Ik grijp naar de flacon met rum in mijn binnenzak en ik neem een slok. Ik drink op uw nagedachtenis, op alles wat we nooit tegen elkaar hebben gezegd, maar wel hadden willen zeggen. Ik drink op alle keren dat we elkaar verkeerd begrepen, maar toch bleven voelen dat het wel goed was. Ook drink ik op die Duitser. De soldaat die niet raak schoot.
Want zo is het gegaan: de kogel miste zijn doel. U liet uzelf vallen en wist te ontsnappen.
Schoot hij met opzet mis? Misschien was hij ook wel zo’n jongen die hoopte dat het allemaal snel voorbij zou zijn. Die ook niet uit dat hout gesneden was.
Ik weet het niet, maar ik vind het wel een prettige gedachte, ook al is het misschien niet waar. Wat ik wel weet is dat als hij nu hier zou staan, in deze stille laan, ik hem een hand zou geven en zou zeggen: “dank u wel.”
Samen zouden we ons hoofd buigen en even zwijgend bij uw steen blijven staan.
Ik denk dat u dat wel goed had gevonden.

In gedachten vouw ik deze brief in vieren, en steek ik hem voorzichtig in de sneeuw, in de spleet tussen de steen en de aarde.

 

Eerder verschenen in Vaderbrieven, © Uitgeverij Schrijfdomein 2011

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Een reactie op Brief aan mijn vader

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s