De oude dame en de dood

Sommige dingen kunnen altijd beter, en aan een manuscript dat nog niet uitgegeven wordt kun je oneindig lang blijven werken – zolang je er plezier in hebt, natuurlijk. Dit is een recente toevoeging aan het eerste hoofdstuk van mijn roman Smaak van as. Een wat schichtig weggemoffelde alinea bleek helemaal open te bloeien toen ik er meer tijd en werk aan besteedde. Less is niet altijd more – maar oordeel zelf. Dit is mijn portret van de stad Roermond, anno 1613.

 

Hoe lang is het geleden? Vier jaar alweer, sinds het bestand is ingegaan. Vier jaar. Iedereen herinnert het zich nog, die dag die in de vroege ochtendschemering begon met klokgelui en uren later eindigde met vreugdevuren en algehele openbare dronkenschap. De weken daaraan voorafgaand hadden boodschappers tot in de verste uithoeken overal het nieuws verspreid: dat het van nu af twaalf jaar lang zou zijn afgelopen met de vijandelijkheden; geen veldtochten, muiterijen, moordpartijen en plunderingen meer; het zou eindelijk vrede zijn, zoete vrede. Straten en pleinen stroomden vol, priesters droegen missen op uit dankbaarheid, dichters declameerden sonnetten vol met onbegrijpelijke beeldspraak, geliefden vielen elkaar in de armen, speculanten gooiden snel, voordat de prijzen zouden kelderen, hun voorraden op de markt. Het was eindelijk, eindelijk vrede.

In Brussel regeren sindsdien de Aartshertogen Albert en Isabella over een gehalveerde bruidschat en vragen zich af wat erger is: het verlies van die zeven opstandige provincies – of het oude, ongedeelde land vol ketterij en geloofsafval die er alleen met bloed is uit te slaan. Maar dat is Brussel. Hier hebben ze het nooit zo gehad op die stad en alle decreten die van daaruit over de Spaanse Nederlanden worden uitgestort. Hier, in deze uithoek van het aartshertogelijk domein, hebben ze hun eigen wonden te likken. Ze zijn hier allemaal langs en doorheen getrokken – Spinola, Maurits, Filips van Nassau, Farnese, Don Frederik, de Zwijger, hun respectieve onderbevelhebbers, bondgenoten, ongeregelde troepen, Duitsers, Walen, Oostenrijkers, Spanjaarden, Italianen – ach, zoveel nationaliteiten en toch maar één taal: die van het geweld. Geen plek en geen vlek in dit land die ongemoeid gelaten is, geen boerderij die niet geplunderd is, platgebrand, in rook opgegaan, geen dorp dat niet gebrandschat is, geen stad die niet in angst geleefd heeft bij het zoveelste vage gerucht, het zoveelste gezicht op wapperende vaandels aan de horizon. Ja, ze hebben hier beslist hun portie wel gehad. Hier, dat is het oude erfland van de graven van Gelder. Nu niet meer dan een hoofd zonder lichaam, een aardrijkskundig monstrum, dat er maar wat verloren bijligt nu het net zo ver verwijderd is van de overige Spaanse landen als dat het door de oorlog van zijn andere kwartieren afgesneden is geraakt. Want eens waren ze met zijn vieren, drie nederkwartieren, één overkwartier: Zutphen, Arnhem, Nijmegen, Roermond. Nu is alleen de laatste nog over. Verarmd en uitgemergeld, een oude dame die het feit niet wil aanvaarden dat er niemand meer is die naar haar gunsten dingt.

Links ligt het land van Horn, dat sinds de graaf zijn hoofd verloor in Brussel op de Grote Markt, die junidag in 1568, is toegevallen aan de prins-bisschop van Luik. Daarachter strekken zich in een bonte lappendeken de landen uit die toebehoren aan het graafschap Loon, het land van Weert en nog een handvol vrije heerlijkheden die nergens helemaal bij horen, en tussen alles in de zandige gronden waar de pachtboeren van de abdis van Thorn hun karig brood verdienen. Rechts, het grondgebied van Dalenbroek en Gulick, met de tegelbakkerijen en de kloosterhoeven en het dichte Elmpterwoud dat dreigend oprukt uit het oosten. Daar tussenin de twee rivieren, Maas en Roer – de ene breed uitwaaierend over moerassig laagland, de ander snel stromend en onstuimig, als een jonge minnaar. Waar de twee elkaar tenslotte kolkend meevoeren in een waterige pas-de-deux ligt, omgord door grachten en muren, de deftige hoofdstad van het Gelders Overkwartier: Roermond.
Vijf kerken telt de stad, deze oude dame, een handvol kapellen, negen kloosters, waarvan vijf vrouwenkloosters, een bisschopshuis, een seminarie, een Jezuïetenschool, een begijnhof, een weeshuis, een gasthuis en een melaatsenhuis. Dat laatste vanzelfsprekend buiten de muren, waar ze de burgers niet tot last zijn; er zijn er immers al genoeg van dat soort die hun brood niet verdienen op de manier van fatsoenlijke lui. De oude dame houdt van mensen die hun plaats weten. Ze houdt van de ambtenaar die zijn ganzeveer scherpt in de kanselarij, maar ook van het schrijvertje dat tegen hongertarief de brieven van de ongeletterden opkrast. Ze houdt van de kapittelheer die van de opbrengst van zijn erfgoed leeft net zo goed als van de bedelmonnik in zijn cel, ze houdt van de koopman evenveel als van de ambachtsman, maar misschien houdt ze nog het allermeest van de knecht die zich gewillig af laat beulen voor zes stuivers plus twee maaltijden per dag, want hoe meer er van zijn soort zijn, hoe liever het haar is. Alleen van de bedelaar en de zwerver moet ze niets hebben, die veegt ze samen met het afval van de oorlog van haar straten, met hun ziektes, hun slechte manieren en hun ongewassen kinderen. Wie voor zichzelf niet zorgen kan, die veracht ze. De oude dame is het lang geleden al verleerd om moeder te zijn, om compassie te voelen. Trots en hardvochtig, zo staat ze daar, in al haar vergane glorie; een bastion van steen en goede zeden. Maar vanbinnen stinkt het. Vanbinnen rot het, als een kanker.

Wie voor het eerst de stad bezoekt merkt van dat alles niets. Die ziet langs eindeloze kloostermuren kaarsrechte, stille straten gaan. De huizen ogen schoon, de mensen braaf, niet meer of minder dan elders, men houdt zich aan de tien geboden. Hij ziet de statige bebouwing rond de markt, het raadhuis met de lakenhal, de koopmanshuizen, de herbergen, de nieuwe stenen gevels. Hij neemt zijn intrek in een logement en valt in slaap met het geluid van klokken die vroom de getijden slaan.

Wat voor besef heeft hij van wat er allemaal daarbuiten speelt? Op misschien nog geen twintig of dertig passen bij zijn rustend hoofd vandaan kan er een arme ziel op sterven liggen; en hij weet het niet. Hij ziet de priester niet die naar hem onderweg is met het Heilig Oliesel en die in stilte vloekt omdat hij zo laat nog uit zijn bed is gehaald. Hij hoort de mannen niet die waken bij de stervende, die jenever drinken en herinneringen ophalen aan alle pakken slaag die ze vroeger van de ouwe kregen, en kijk die handen nu dan eens, zeggen ze, je kunt er nog geen mug mee doodslaan. De reiziger slaapt, en weet van niets. Een paar straten verderop, maar hemelsbreed nog steeds vlakbij, ligt iemand die nog niet slapen kan. Laten we zeggen dat hij een brave huisvader is. Laten we zeggen dat hij nog niet zo lang geleden in alle eer en deugd getrouwd is met een weduwvrouw uit Heinsberg. Waar de mannen bij het doodsbed van hun vader met elke nieuwe slok jenever verder teruggaan in de tijd, daar blikt deze man vooruit, en wat hij ziet stemt hem tevreden. Dat hysterische mens! denkt hij. Hij probeert zich voor te stellen wat voor een gezicht ze moet hebben getrokken toen de bode haar het nieuws kwam brengen. Hoe ze moet hebben gekeken. Maar hij krijgt zijn genoegdoening wel! Laat de rechtbank maar oordelen, denkt hij. De gedachte alleen al beurt hem op. Want wat dacht ze dan – dat hij dat zomaar laat gebeuren? Dat ze ongestraft zijn vrouw kan beledigen? Dat hij dat over zijn kant zou laten gaan? En dan met zulke woorden! Niemand noemt mijn vrouw een heks, denkt hij. Niemand! Hij heeft geëist dat ze het terug zal nemen. Een openbare schuldbekentenis, en dan de zweep. Zodat ze het weten, zij en iedereen die hem nog wil belasteren. Hij schuift nog wat dichter tegen zijn vrouw aan, voelt haar warmte tegen zijn buik, zijn dijen, hij denkt: zal ik haar wakker maken? En intussen drinken de zoons hun jenever, ademen de weeë lucht in die in deze dodenkamer hangt, kijken naar die rimpelige man, dat overblijfsel van wat ooit hun vader was maar nu allang niet meer op hem lijkt, ze zien niets wat erop wijst dat hij bij kennis is, dat hij iets voelt van hun aanwezigheid, het is de vraag of deze nacht voor hem nog geheimen heeft, of hij hem nog zal overleven, of hij inmiddels zelf al deel is van de nacht –

 

© Ben Joosten 2014

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s