Toasten op een schoenmaker

Op 31 juli is het honderd jaar geleden dat in Nederland de Algemene Mobilisatie werd afgekondigd. Alle weerbare mannen onder de 40 werden op die dag onder de wapenen geroepen, dienstplichtigen gingen vervroegd in dienst. Mijn opa, net twee maanden eerder negentien geworden, was een van hen, een bakkerszoon uit Roermond, die op die dag door de wereldgeschiedenis op de schouders werd genomen om het avontuur van zijn leven mee te maken. Hij vertelde erover, later, toen zijn kleinkinderen zo oud waren als hij destijds en niemand zich die oorlog meer herinnerde, omdat er daarna een was gekomen die nog erger was.
Niet dat het allemaal zo groots was, natuurlijk, dat avontuur. Alleen dat woord is al veel te groot. Mijn familie, moet u weten, is er een van kleine luiden. Opa was schoenmaker, zijn vader was bakker, en diens vader was “akkerman”, afstammeling van een geslacht van keuterboeren en dagloners. Eeuwenlang wisten die een karig bestaan bij elkaar te schrapen op de linker Maasoever, terwijl de geschiedenis met zijn hoogte- en dieptepunten ongemerkt aan hen voorbijging. Wie uit zo’n wereld komt kan van het leven alles verwachten, behalve dat het groots en meeslepend zal zijn.

Het leven van een dienstplichtige in de twintigste eeuw kan, op een paar uitzonderingen na, worden samengevat in één begrip: verveling. Nooit moet dat woord meer van toepassing zijn geweest dan tijdens de mobilisatie. Terwijl nauwelijks honderd kilometer verderop zijn generatiegenoten, jongens zoals hijzelf, met dezelfde dromen en verlangens en hetzelfde heimwee naar thuis, bij duizenden tegelijk het leven lieten, stierf de Nederlandse soldaat van verveling. Vier jaar was hij van huis en haard, vier jaar opgesloten in kazernes of ingekwartierd bij burgers, in tenten, in scholen of in tochtige boerenschuren; en om wat te doen? Om te wachten. Wachten tot het eindelijk afgelopen was. Wachten tot het misschien toch zou gaan beginnen. Vier lange jaren wachten. De tijd werd intussen gedood met oefeningen op de hei, met schuttersputjes graven, met urenlange exercities, met het demonteren en weer in elkaar zetten van de wapens, met het eindeloos poetsen van de koperen knopen. En natuurlijk met marcheren. Denk aan soldaten en je ziet lange colonnes door oneindig laagland gaan, om met Marsman te spreken, links twee drie vier, links twee drie vier, allemaal in dezelfde maat, met stampende laarzen en zwaaiende armen, links twee drie vier, links twee drie vier, in zomer en winter, door modder en stof, zoals het altijd is gegaan. De hele geschiedenis lang hebben legers zich op die manier verplaatst, van Xenofon’s tienduizend tot de Lange Mars van voorzitter Mao. Soldaten marcheren, dat hoort net zo goed tot het militaire handwerk als het stokstijf in de houding staan en het aloude man-tot-man gevecht.
Opa was, ik zei het al, schoenmaker. Misschien heeft hij het vak geleerd bij zijn oom Stoffel in Wessem, die ook schoenmaker was. Het is mogelijk; ik weet het niet. Maar hij was schoenmaker, en dat kwam hem van pas. Want waar mannen marcheren, daar slijten hun schoenen. Rubber zolen, met hun langere levensduur, bestonden nog niet; zolen waren van leer, werden met spijkers aan de schoen bevestigd, en sleten sneller naarmate er meer op gelopen werd. En dus had, ook in het Nederlandse leger, elke compagnie, naast een kok en een foerier, ook een militair schoenmaker in dienst.
“Ja jong”, zei opa, en dan lachte hij zachtjes, “Daar had ik werk genoeg aan, aan die dingen.” Hij lachte zelden hardop. Mijn opa was een zachtmoedig man. “Iemand moest dat doen hè. En dat was ik.”
Uit opa’s relaas rees in de loop der jaren het beeld op van de militaire schoenmaker als ruggegraat van de compagnie, ja, van het regiment; het gewicht van de functie groeide met elke keer dat hij opnieuw zijn verhaal vertelde. Het was uiteindelijk misschien zelfs niet overdreven om te concluderen dat de slagkracht van het Nederlandse leger – het bestaan überhaupt van een vaderlandse krijgsmacht – stond of viel met het goed functioneren van de schoenmakerij. Natuurlijk weet een slim soldaat wel munt te slaan uit zijn onmisbaarheid, en mijn opa was dan wel een zachtmoedig mens, maar hij was absoluut niet dom. In de loop van die vier jaar wist hij dankzij zijn functie kleine privileges te verwerven: het ruilen van een wachtdienst hier, wat extra verlof daar; kleine dingen die het leven van een eenvoudig milicien kunnen veraangenamen. Ik zie hem nog zitten, het witte haar hoog op de schedel en daaronder het gezicht met de geprononceerde neus en die ogen die altijd een beetje leken te lachen, “ja jong”, zei hij, “zo ging dat. Het was een andere tijd hè? Je maakte er het beste van. Ja, dat was mooi.” Dan nam hij een slok van zijn borrel en herhaalde: “Een mooie tijd.” En daarna vertelde hij nog eens het verhaal van die ene keer, toen hij bijna niet van zijn verlof was teruggekeerd.

Ik zocht naar informatie over legerschoenen uit de Eerste Wereldoorlog en vond foto’s van Amerikaanse Trench Boots, ook gedragen door de Belgische en Franse troepen in de loopgraven bij Ieper. Die schoenen hadden een dubbele leren zool, een canvas binnenzool en waren van onderen nog eens extra met kopspijkers versterkt, maar ondanks die maatregelen rotten ze in de kletsnatte winters onder de voeten van de soldaten vandaan. De Nederlandse dienstplichtigen vochten niet in de loopgraven en zullen ze niet hebben gehad. Nederlandse soldaten wonden puttees om hun onderbenen, lange stoffen windsels die ervoor moesten zorgen dat er geen vuil in de schoenen kwam. Over de schoenen zelf vond ik niets, behalve dat ze waarschijnlijk van Brabantse makelij zijn geweest. Ik vond ook foto’s waarop de jongens van de zogeheten Administratieve Groep stoer naast elkaar poseren: de kleermaker achter zijn trapnaaimachine, de facteur met een tas voor zijn buik waarop met grote letters VELDPOST staat, de schoenmaker met de gietijzeren schoenmakersleest op zijn knieën. Uit de foto’s, allemaal getekend door de tijd, met vouwen en vlekken en in de kleur van verblekend sepia, stijgen geuren op van canvas en pekdraad. Soms rookt een van de mannen een sigaar. Het zijn foto’s die niet alleen een lang vervlogen tijd, maar ook een verdwenen wereld laten zien.
Er zijn andere foto’s. Mannen in uitgaanstenue, doordeweekser gekleed dan hun meerderen, die kwistig kunnen strooien met epauletten en goudkleurige koorden en kwasten, maar toch ook nog altijd blinkend van koperpoets en vaderlandse ijver. Zo moet mijn opa er ook uit hebben gezien. De kuif nog niet wit, zijn gezicht nog zonder groeven. De hoge kepie zou hem langer laten lijken. Op het uitgaansmodel zou misschien een “scheerkwast” staan, de opstaande pluim van paardehaar waarmee het tijdens verlof parmantig flaneren was.

Ik was net terug van een reis waar ik hier verder niet op in zal gaan omdat die er niet toe doet, maar opa wilde er natuurlijk alles over horen. Reizen, ja, dat had hij zelf ook graag gedaan, zei hij, en ik zag aan zijn gezicht dat het zo was. Iets van de wereld zien. Het was er alleen nooit van gekomen. Oma zat zwijgend toe te kijken terwijl hij van zijn middagborrel nipte – altijd één, niet meer, daar lette zij wel op. Het was er nooit van gekomen, behalve dan natuurlijk die ene keer naar Lourdes, met de bus, daar had hij toch ook wel van genoten. “Ja jong”, zei hij, halverwege weer zo’n lachje en een zucht van weemoed naar de tijd dat hij nog jong was, “dat had ik graag nog eens gedaan. Reizen.”
Ik moest hem alles vertellen, maar nog voor ik goed op gang was onderbrak hij me. Want het was een mooi verhaal, zeker wel, maar nu moest hij toch ook heel nodig nog iets kwijt; en ik zag hem voor mijn ogen opnieuw die soldaat worden, die schoenmaker in uniform, die overdag in de weer was met hamer en leermes en ’s avonds met zijn maten kaart speelde en liedjes zong over luitenant Jandome (“is ’n hoge ome”) of over de mooie Jopie, die haar peren aanbood aan het hele bataljon. Had hij me al eens verteld, vroeg hij, van die ene keer, tijdens de mobilisatie, dat ze naar Amsterdam waren gegaan?
Amsterdam! Europa stond in brand, aan alles was gebrek, maar in Amsterdam brandden ’s avonds de lichtjes op het Leidseplein, muziek stroomde naar buiten uit de tingeltangels aan de Nes, en in de Warmoesstraat en de Zeedijk dansten soldaten en matrozen tot diep in de nacht met de mooiste meisjes van de wereld.
Amsterdam! Ze hadden afgesproken, hij en een paar kameraden, om hun volgende verlof niet thuis door te brengen maar in de hoofdstad. Ze hadden hun soldij opgespaard. Ze zouden eerst een beetje flaneren, over het Damrak, langs de grachten, de boten in het IJ bekijken, misschien een film van Charlie Chaplin zien. Eten in het militair tehuis, waar het goedkoop was en bijna net zo lekker als bij moeder. En tenslotte zouden ze zich overgeven aan de verlokkingen van de grote stad – soldaten op verlof, weg van de discipline, weg van het wachten en de verveling, vrij om te gaan en staan waar ze wilden. Jong, vrij, geld op zak. Ach, als we toch eens honderd jaar terug in de tijd konden reizen! Het Amsterdam van Breitner met de paardentrams, de boten in de grachten, de sleperskarren en de elegante dames. We zouden ons verbazen, maar toch ook niet zoveel. Want hoeveel er ook veranderd is, er is nog wel meer hetzelfde gebleven. Nee, het verbaast me niets dat de gezworen kameraden de tijd vergaten. De trein die hen op tijd terug naar de kazerne had moeten brengen was allang vertrokken, en nog waren ze op stap, vooruit, een laatste borrel, nee, nog een, en nu dansen, nog één keer, ik ga niet weg zonder nog één keer te dansen, kijk toch eens hoe dat meisje daar naar me lonkt, daar klonken de accordeons, daar zwierden de dansers over de vloer, daar schonken ze nog eens de glazen vol – op het soldatenleven! Nee, op het leven!

En dus kwamen ze te laat. Ik heb het zelf tijdens mijn diensttijd ook wel eens aan de hand gehad, al of niet door eigen schuld. Ongeoorloofd Afwezig, heet het. Daar stond dan een dag of wat arrest op, afhankelijk van hoe bont je het had gemaakt. Maar dat was vredestijd. Hoe het tijdens de mobilisatie was, en wat voor een straf mijn opa boven het hoofd gehangen heeft, daar was hij onduidelijk over, zoals hij ook een beetje vaag was over hoe lang ze nu eigenlijk ongeoorloofd waren weggebleven. Uiteindelijk kreeg hij minder dan hij had verdiend, veel minder zelfs, daarover was hij wel specifiek. Dat kwam door de schoenen. “Ze konden me geen zwaar arrest geven natuurlijk. Want dan kun je niet werken, je zit achter slot. Dus kreeg ik alleen een paar dagen licht. Dan deed ik overdag gewoon mijn werk. En als ik me ’s avonds meldde bij de wachtcommandant, dan gaf die me een knipoog en zei: ik heb je gezien jong, ga maar weer. Want ik moest zijn schoenen ook nog doen, begrijp je?” Ik begreep het.
Het is honderd jaar geleden vandaag, en ik ga een borrel op hem drinken. En dan denk ik terug aan die jonge man, die bakkerszoon, en dan hef ik mijn glas, met een knipoog.

© Ben Joosten 2014

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Toasten op een schoenmaker

  1. emmy zegt:

    Geweldig verhaal Ben, en je zet opa goed neer-zoals hij vertelde en die ondeugende ogen!
    Met smaak at hij zijn boterhammen met dreugwors en roggebrood.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s