Niemandsland

Eigenlijk, vond hij, was ze veel te mager. “Niks op de plank” zouden zijn vrienden oneerbiedig zeggen. Maar wat ze op dat vlak misschien tekort zou komen maakte ze met al het andere ruimschoots goed. En wat interesseerde hem trouwens de mening van zijn vrienden? Die hadden niets te zeggen. Zij waren hier niet.

Hij was bijna vijftien. Op zijn bovenlip stonden wat donkere pluisjes waarover zijn vader flauwe grappen maakte, maar die hij heimelijk koesterde als de zichtbare tekenen van zijn naderende volwassenheid. Hij was groot voor zijn leeftijd. Soms voelde hij zich een vreemde in zijn eigen lichaam. Het was zomer en die hele eerste week, alleen met zijn ouders in het vakantiehuisje aan zee, was hij doodongelukkig.

En toen ontmoette hij Luti.

Na een lange, saaie ochtend waarop niets gebeurd was, was hij na het middageten naar buiten gegaan. Hij had een boek meegenomen, zonder veel zin om te lezen, zijn radio, een appel en een boterham. Op het strand had hij een paar sprintjes getrokken, steentjes in het water gegooid en op zijn buik in het zand gelegen met de radio aan. Ver weg, in een andere wereld, deed een stem vanaf een motorfiets verslag van de Ronde van Frankrijk. Muziek verwoei in flarden van ruis. Er was niemand van zijn leeftijd op het eiland, geen jongens, geen meisjes, helemaal niemand. Hij was alleen met de leegte, de wind in zijn haren en het krijsen van de meeuwen. Zelfs de zee was leeg. Hij staarde naar de horizon en voelde zich als Robinson Crusoe, hopeloos verlaten. Terwijl hij kauwde op zijn appel vroeg hij zich af of iemand hem zou missen als hij besloot om niet meer terug te keren.

Maar hij ging terug, natuurlijk, zo laf was hij nou ook wel weer. Langs het duinpad stond de helm in bloei. Hij liep per ongeluk verkeerd en omdat hij zo in gedachten was verzonken, merkte hij het pas toen het al te laat was en hij bijna in het krappe keukentje tegen haar opbotste.

Ze reageerde heel anders dan zijn moeder. Die zou ongetwijfeld gaan gillen als er een vreemde in haar keuken stond (het was nog nooit gebeurd, maar het was een van die dingen waarvan hij zeker was: moeder, hulpeloos, aan de grond genageld, handen voor haar mond geslagen, rode vlekken in haar hals) maar deze vrouw bleef gewoon staan, om hem heel kalm en onderzoekend op te nemen. Ze droeg een ochtendjas met kale plekken. Hij stotterde: “Neem me niet k-k-”. Ze lachte met een hees geluid dat overging in een hard en schraperig hoesten, toen nam ze een sigaret uit een pakje op de keukentafel en stak hem aan. “Die huisjes lijken ook allemaal zo verdomd veel op elkaar.” Haar stem was laag en deed hem denken aan een filmster van vroeger

Wat er daarna gebeurde kon hij zichzelf later nooit meer precies herinneren. Misschien maakte ze een onhandige beweging. Maar ze kon het evengoed expres hebben gedaan. Wat het ook was, ineens viel voor zijn verbaasde blik haar ochtendjas open.

Eén keer had hij in een flits de borsten van Els gezien. Zij was het zusje van zijn beste vriend. Hij had ze toen zelfs bijna aangeraakt. Het was een maand of twee geleden geweest, in het kleedlokaal na afloop van de sportdag op school. Ze hadden geen van beiden goed raad geweten met de situatie en toen ze voetstappen hoorden had het meisje snel haar bloes weer aangetrokken. Deze vreemde vrouw die hem niet eens kende liet hem heel wat meer zien dan haar borsten, en ze leek zich niet eens te schamen. “Ik heb net gedoucht” zei ze. Weer lachte ze. Ze deed geen enkele poging zich weer te bedekken.

Hij voelde zich of hij in brand stond. Het liefst wilde hij zich omdraaien en weggaan maar zijn benen die vreemd slap leken weigerden dienst en zijn blik kleefde vast aan het naakte vrouwenlichaam zo vlakbij hem in het zonnige keukentje. “Ben je bang?” vroeg ze met die lage stem. Donker fluweel, dacht hij. Zoals de gordijnen bij zijn grootouders. Hij slikte hevig en kon niets zeggen. Natuurlijk was hij bang. Ze kwam dichterbij. “Je moet niet – je hoeft niet bang te zijn.” Ze streek met haar hand door zijn haar.

Sinds die middag had hij nooit meer aan de borsten van Els gedacht. Vergeten waren de schuine moppen van Hans en de plakkerige avondsessies met de clandestien geleende boekjes bij hem thuis. Luti heette ze. Lutgard. Hij had de naam op een aan haar geadresseerde envelop zien staan. Ze had een grappig accent, Duits ongetwijfeld. Wanneer ze praatte bewoog ze met haar handen en schreef tekens in de lucht met sigarettenrook. Soms kon haar oogopslag oneindig triest zijn, op dezelfde filmachtige manier; vol diepe bijbedoelingen die niet voor hem bestemd leken. Ze woonde al vanaf de winter in het huisje aan zee. Het leek hem een vreemd idee, wonen in een vakantiehuisje, maar hij vroeg er verder niet naar omdat ze, zoals ze zei, niet graag over zichzelf sprak. Ze hadden trouwens wel iets beters te doen dan praten. Achteraf verwonderde het hem hoe snel en bijna vanzelf het allemaal gegaan was. Het was haast alsof ze op hem had staan wachten. Op het moment zelf had ze hem geen tijd gelaten om wat dan ook te overdenken. Ze had hem overrompeld – dat was het woord – en hij had geen verweer gehad, ze had hem meegesleurd en hij had zich overgegeven en na afloop, toen hij nog helemaal warm en uitgeput en licht in zijn hoofd naast haar lag had ze hem overladen met kussen. “Mijn lieve jongen”, fluisterde ze en het had even geleken of ze huilde.

Luti’s huisje lag helemaal aan de rand van het duingebied, in het woeste niemandsland waar alleen de wind en de meeuwen heersten. Na die eerste keer kwam hij haast elke middag bij haar en ’s nachts wachtte hij tot zijn ouders sliepen om dan stilletjes naar buiten te gaan; pas heel laat, in het grijze licht van de ochtendschemer, kroop hij dan weer in zijn eigen bed. Hij stond ’s morgens steeds later op. Zijn moeder mopperde op hem maar zijn vader zei: “Het is vakantie, laat hem toch.” Met een stripblad op schoot en zijn radio aan zijn oor propte hij een stapel boterhammen naar binnen terwijl vader zijn visspullen schoonmaakte en moeder iets deed met kruiswoordpuzzels. Soms stuurde ze hem naar het dorp voor boodschappen. “Wat ben je toch bleek”, zei ze af en toe en dan keek ze hem onderzoekend aan. “Waar ben je de hele tijd? We zien je haast nooit.”

Maar Luti wachtte op hem. Zodra hij kon vluchtte hij naar haar toe, weg uit het bedompte gezelschap van zijn ouders, weg uit die valse wereld waarin hij nog een kind was. Er was in zijn gedachten voor niets plaats meer dan voor haar, voor Luti; zo volkomen anders was zij en toch was het enige dat hen scheidde een pad van schelpengruis van amper honderd meter. Hoe kon een afstand tegelijk zo onbeduidend en zo alles bepalend zijn? Aan deze kant was hij wie hij altijd geweest was; daar, aan de overkant, bij haar, was hij een man.

Honderd meter: de magische afstand. Hij wist precies hoe snel hij op de sprint was. Zijn beste tijd was twaalf punt negen, handgeklokt op de sintelbaan van school. Het wereldrecord was negen punt negen vijf. Hij had die legendarische wedstrijd op tv gezien, Jim Hines, Olympische Spelen 1968. Tweede was Lennox Miller, de Jamaicaan, derde een andere Amerikaan, Charles Greene. Beiden waren geëindigd in tien seconden rond. Of hij ooit sneller zou kunnen dan een van hen betwijfelde hij; hij was immers geen neger. Alle belangrijke hardlopers waren tegenwoordig zwart. Op de sprint waren het Amerikanen, op de lange afstand kwamen ze uit Afrika. Daar viel eenvoudigweg niet tegenop te lopen.

Maar toch, als hij naar Luti’s huisje rende voelde hij zich of hij vleugels had. En misschien had hij ze ook, die honderd meter van dat schelpenpad, met het zout van de zee op zijn lippen en de wind in zijn rug. Wie weet hoeveel records hij daar verpletterde? Ze wachtte op hem. “Kom vlug terug”, zei ze altijd. Ze liet het hem zelfs beloven; een overbodige belofte – hij kon immers niet anders. “Zeg het. Zeg dat je je zult haasten.”

“Luti”, zei hij zachtjes en het leek of de wind haar naam van hem afnam en uitrekte als een lang lint van gefluisterde klanken. Vogels buitelden boven zijn hoofd in de lucht en ergens in de verte stond een vlieger, heel hoog. Verder was er niets dan het schelpenpad en aan het eind, de prijs. Voor haar, dacht hij, zou hij het kunnen. Niet voor de eer, of een medaille. Voor haar.

Luti. Hij wist niet eens hoe oud ze was. Het kon hem ook niet schelen. Voor hem was alles nieuw, de strelingen, de geuren, de zachte vingers op zijn huid. De pijn, de tederheid. “Kom”, zei Luti. Ze leidde zijn handen naar de juiste plaatsen, ontvouwde haar lichaam voor hem als een landkaart en hij was de verkenner, aanvankelijk schuchter en voorzichtig maar al snel net zo geestdriftig als zij. Ze leken onverzadigbaar. Luti had nooit genoeg. Wanneer hij wilde rusten zei ze “nee, er is geen tijd”; dan vlijde ze zich tegen hem aan, fluisterde hete woorden in zijn oor en streelde en betoverde hem zo lang tot hij zijn opwinding weer voelde stijgen en ze triomfantelijk lachte: “Zie je wel dat je nog steeds honger hebt, jij kleine wolf.”

Hij wist niet wat het was. Had hij ooit eerder al zoiets gevoeld? Het leek misschien nog wel het meest op sprinten, dat rennen op de toppen van je longen, dat heerlijke gevoel van vrijheid, van los zijn van alles – ouders, school, toekomst – twaalf punt negen seconden lang helemaal niets om aan te denken, niets om bang voor te zijn, alleen die witte lijnen links en rechts, de schim van je tegenstander schuin vóór je, de wind op je lichaam; en dan daarna het bijkomen op het gras naast de baan, duizelend van pijn en moeheid, half dood en helemaal kapot van binnen maar tegelijk o zo voldaan; zoiets was het maar dan oneindig veel beter.

Tijd ging in Luti’s huisje voorbij als in een droom. Buiten ging de zon op en onder, werd het licht en werd het donker; binnen, achter de gesloten gordijnen heersten het halfduister en het fluwelen schijnsel van kaarsen en een enkele schemerlamp. Luti hield niet van licht. Toen hij eens vroeg of ze niet met hem naar het strand wilde gaan keek ze hem aan of hij iets onbehoorlijks had voorgesteld. “Maar waarom niet?” vroeg hij. “We kunnen zwemmen. Ik hou van zwemmen. We kunnen wandelen of zomaar wat zitten of weet ik veel.”

Ze schudde resoluut haar hoofd. “Nee. We hebben daarbuiten niets te zoeken. Wat moeten we op het strand? Hierbinnen is ons zandkasteel. Hier hebben we alles wat we nodig hebben.”

Hij begreep haar niet, maar liet het maar zo. Er was meer aan Luti wat hij niet begreep en waarover ze niet wilde praten. Ze slikte aan een stuk door pillen. Haar nachtkastje lag vol doosjes en potten en flesjes en dingen. Vrouwenspullen. Soms was ze eindeloos lang bezig in de badkamer. Dan wachtte hij maar, terwijl hij naar het plafond staarde en luisterde naar de gesmoorde geluiden vanachter de dichte deur. Eén keer viel hij zelfs onder het wachten in slaap. Hij werd pas wakker toen de zon al bijna onder ging. “Waar ben je?” De slaapkamer was leeg. Hij vond haar in het keukentje. “Ik moet naar huis”, zei hij. “Mijn ouders…” Ze zat met afgewend gezicht aan het tafeltje te roken, het blonde haar slordig naar achteren gekamd. “Wat is er? Heb je gehuild?”

“Ga maar.” Ze weerde zijn kus af. “Vooruit, ga.”

Hij ging. Keek ze hem na? Hij dacht aan haar ogen – nu eens groen, dan weer grijs, dan weer blauw, soms somber, dan weer vrolijk; ze waren als de zee daarbuiten, haast net zo diep en onberekenbaar. Wat zag ze in hem? Hij wist het niet. Wilde hij het wel weten?

Diep ademhalen, wachten op het startschot. En dan: vrij zijn.

Toen kwam die laatste dag. Ze hadden ruzie gemaakt. Luti had weer een van die hoestaanvallen gehad die hem zo aan het schrikken maakten, waarbij ze purperrood aanliep en haar magere lichaam hulpeloos verkrampte. “Je rookt teveel”, had hij gezegd, en daarop was ze woedend uitgevallen: “Dat is mijn zaak! Het zijn mijn longen! Het is mijn leven! Waar bemoei je je mee?” Ze had de asbak tegen de muur gesmeten en zich opgesloten op de badkamer, en daarna hadden ze aan weerskanten van de deur tegen elkaar staan schreeuwen, net zolang tot ze weer open had gedaan en ze zich heel uitvoerig en gloedvol hadden verzoend.

“Het spijt me”, zei hij. “Ik wilde je niet boos maken.”

“Laat maar. Het is mijn eigen schuld. Ik ben een stomme trut. Waarom maak ik ruzie met jou?”

“Je bent geen trut. Je bent mooi. Je bent lief. Ik zal me nooit meer – ”

“Ssst…”

Voor de laatste maal verstrengelden hun lichamen zich, kwam na de spanning de ontlading en daarna de weemoed, dat vreemde gevoel of er iets is gestorven. Ze lag bovenop hem, heel stil, en hij streek afwezig met zijn vingertoppen langs haar ruggegraat, van boven naar beneden en weer naar boven. Ze woog haast niets. “Je bent net een vogeltje”, zei hij.

De volgende dag was hij jarig. Zijn ouders hadden plannen gemaakt en cadeautjes gekocht en ze zouden uit eten gaan. ’s Middags had hij op de radio gehoord hoe Eddy Merckx op tweehonderd meter van de top van de Tourmalet gedemarreerd was om daarna in een spectaculaire solorit al zijn achtervolgers het nakijken te geven. Jan Janssen werd zeer teleurstellend negende op bijna een kwartier. Ze hadden thee gedronken en om zes uur gingen ze naar het dorp. Hij had zijn nieuwe sportschoenen aan en voelde zich al haast een kampioen. Het regende. Ze zaten aan het raam met uitzicht op de winkelpromenade, en terwijl buiten de treurige mars van mensen met korte broeken en rare hoedjes passeerde keek hij naar zijn bord waar een melige schnitzel dreef in een plas bleke saus; en hij verlangde naar Luti.

Maar in plaats dat hij opsprong, zijn bord van zich afduwde en het restaurant uitstormde, over de winkelstraat met de verregende terrassen, dwars door het dorp tot aan de duinen en het niemandsland, over de honderd meter van het schelpenpad, over de rand van de wereld, met voeten die de grond bijna niet raakten, sneller dan Jim Hines en Eddy Merckx bij elkaar, rennend op de toppen van zijn longen, los van alles, louter snelheid, vrij, vrij, naar het huisje, het bed met de afgetrapte lakens, Luti’s armen, haar ogen waar de zee in rees en daalde, de geuren van de liefde, de pijn en de verrukking, – in plaats daarvan lachte hij om de flauwe grapjes van zijn vader en kleurde toen ze hem de envelop gaven en hij gaf hem een hand en zijn moeder een zoen en bedankte zelfs de ober heel beleefd voor het extra ijs bij zijn toetje.

De bui dreef over en zijn moeder zei: “Het klaart alweer op.” Op de boulevard reed hun een ambulance achterop. De hemel was heel woest, vol strepen rood en zwart. Ver weg op zee voer een schip voorbij. Terug bij het vakantiehuisje zagen ze een groepje mannen uit de duinen komen. Hij ging naar binnen. Buiten hoorde hij zijn vader praten, iemand zei iets terug, hij herkende de stem van de beheerder. “Wat was dat?” vroeg hij, toen hij weer buiten kwam.

“O, niks”, zei zijn vader. Een autoportier sloeg dicht. “Iemand die hier woonde. Het laatste huisje, hier verderop. Die Duitse. Een beetje rare vrouw, schijnt het. Ze hebben haar vanmiddag gevonden, maar ze was al dood.”

Ongepubliceerd. © Ben Joosten 2013

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s