Crossroads 5

Over duivels, de blues en de mythe van het kruispunt

 5. De man op het kruispunt

Er is iets met muziek dat streng religieuze mensen afschrikt. Misschien is het de manier waarop muziek rechtstreeks tot ons gevoel spreekt, zonder tussenkomst van de ratio, precies zoals religie dat doet. Niet iedereen gaat daarbij zover als de Puriteinen in de 17e eeuw, die alle muziek verboden verklaarden, of hun hedendaagse opvolgers binnen de islam, die hetzelfde probeerden in Afghanistan en het noorden van Mali. Maar dat muziek die niet ter meerdere eer en glorie van de Heer wordt aangeheven automatisch wordt veroordeeld als zondig en duivels, dat is ook in onze moderne wereld niet ongewoon. Het overkwam de blues, het overkwam rock’n’roll, en het overkomt zelfs een popzangeres als Madonna, die tijdens een recente concerttoer met bezorgde christelijke groepen werd geconfronteerd, die pamfletten uitdeelden en bidstonden hielden. Omgekeerd zijn er dan altijd artiesten die met de beeldvorming op de loop gaan en openlijk hun “Sympathy for the devil” uitdragen, wat voor hun publiek dan weer een extra attractie vormt.

Misschien kunnen we in dit verband constateren dat de aloude traditie van het duivelspact misschien wel tegemoet komt aan een algemeen menselijke neiging om onze angsten en verlangens op anderen te projecteren; volkshelden die kunnen wat ons niet gegeven is, en die des te dieper vallen naarmate ze hoger zijn gestegen.

Met dat al blijft er nog één kwestie over.

In geen van de voorbeelden die ik hierboven heb gegeven komt het motief naar voren dat toch zo’n centrale rol speelt in het verhaal van zowel Robert Johnson als dat van Faust – het kruispunt. En toch is het misschien wel daar dat we de oplossing kunnen vinden van het raadsel. Het kruispunt is wellicht zelfs de sleutel – in meer dan één betekenis.

Er zijn tenminste drie locaties bekend van het fameuze kruispunt waar Robert Johnson zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht, zoals er ook drie grafstenen van hem zijn bewaard. Een bevindt zich nabij de Dockery plantage, bij Rosedale, Mississippi; een in de buurt van Memphis, Tennessee; en de beroemdste is de kruising van Highway 49 met Highway 61 in Clarksdale, Mississippi. Afgezien van de vraag wat ongeloofwaardiger is, de omstandigheid dat er drie verschillende plaatsen worden aangewezen of het feit dat de locatie van zo’n mysterieuze nachtelijke gebeurtenis überhaupt bekend zou zijn, is er een andere en trouwens ook veel belangrijker kwestie die ons hier zou moeten bezighouden: hoe verhoudt zich Robert Johnson’s kruispunt met dat van Faust in het Spesser Wald, en: waar komt dat hele kruispunt-idee eigenlijk vandaan?

Beide vragen kunnen we misschien beantwoorden aan de hand van de klassieke mythologie. In onze huidige wereld, waarin duisternis niet meer bestaat en kruispunten veranderd zijn in rotondes, klaverbladen en afslagen van de snelweg, is het moeilijk ons voor te stellen wat het in de oudheid moet hebben betekend om op reis te gaan. Gebaande wegen waren schaars, en waar ze er waren voerden ze door onbekend en onherbergzaam gebied. De weg zelf was een eerste en belangrijke houvast voor de reiziger – een rechte lijn door wat zonder die markering nog ongerepte wildernis zou zijn, vol onvoorstelbare gevaren. Mijlpalen en offerstenen bakenden het landschap verder af, temden het; maar het waren vooral de plaatsen waar twee wegen elkaar ontmoetten die golden als ijkpunten, als plaatsen waar de chaos werd geordend. Kruispunten en driesprongen waren daarom bij uitstek geschikt om bescherming af te smeken en offers te brengen voor een veilige reis en een behouden aankomst.

De Griekse mythologie kent de godin Hekate, ook wel bekend als Trivia, de beschermgodin van de driesprong. In de loop van de tijd is ze vooral bekend geworden als een grimmige, driehoofdige godin die vereerd werd door heksen in clandestiene nachtelijke rituelen, maar van oorsprong was ze de personificatie van de drie schijngestalten van de maan. Zoals de volle en de nieuwe maan de tijd afbakenen en de basis vormen van de allereerste kalenders, zo staan Hekate en haar driesprong aan het begin van de verovering van de ruimte.

Minder bekend is dat de Atheners haar beschouwden als de beschermgodin van huis en haard, aan wie een altaar bij de voordeur was gewijd. Hesiodus vertelt van Hekate dat zij de macht had om iemands meest innige wens in vervulling te laten gaan – of niet. “Als zij het wil helpt ze eenieder en brengt ze hem voordeel… en net zo gemakkelijk neemt ze het weg, wanneer zij het wil.” Grillig zoals alleen een godin kan zijn, had zij de keus om een aan haar gericht offer goedgunstig te aanvaarden, of om het zonder opgaaf van redenen te weigeren. In dat opzicht vertegenwoordigde ze feitelijk niets anders dan de wisselvalligheden van het lot, dat wij symboliseren met het rad van fortuin: zo maak je winst, en zo ben je alles weer kwijt.

In de zwart-wit wereld van het christendom is dit soort wispelturigheid vanzelfsprekend onduldbaar en kreeg het daarom al snel het stempel “duivels” opgelegd. Maar het volksgeloof, dat altijd al pragmatischer geweest is, heeft er veel minder moeite mee. In Afrika kwamen we eerder al Mami Wata tegen, de watergodin (die trouwens ook vaak met drie hoofden afgebeeld wordt!) die de wensdromen van veel moderne Afrikanen belichaamt; en dan is er nog een andere figuur die in dit verband misschien nog wel belangrijker is, en die zowel in Afrika als in Amerika wordt aanbeden. Op Haïti heet hij Papa Legba en Maître Carrefour, Cubanen kennen hem als Elleguá en in Brazilië wordt hij vereerd onder de naam Exu. Hij is afkomstig uit het deel van Afrika dat ooit de Slavenkust genoemd werd, het leefgebied van de Ewé, de Fon en de Yoruba, waar nu de grenzen van Togo, Benin en Nigeria doorheen lopen.

Net als Hekate vinden we zijn heiligdommen bij de voordeur, de ingang van het erf, en het zal niet toevallig zijn dat hij daarnaast vooral ook wordt geacht beschermgod te zijn van het kruispunt. En het is nu juist Legba die, als je de onderzoekers moet geloven, de befaamde grote zwarte man is uit de Robert Johnson mythe, de man die zich om twaalf uur ’s nachts op het kruispunt manifesteerde om van hem de beste bluesgitarist aller tijden te maken.

In de kosmologie van West Afrika is Legba de boodschapper van de goden. Hij is het die de mens zijn Fa brengt, het heilige woord van Mawu, de Schepper, waarin het levenslot is aangegeven: geboorte, dood, geluk en ongeluk. Legba kan deze zaken veranderen, als hij wil: hij kan het lot van de mens een wending geven. Hij heeft die macht. Maar hij wordt niet voor niets ook de Goddelijke Bedrieger genoemd, want hij neemt elke gunst weer af wanneer het hem zo uitkomt. Legba spreekt met twee tongen, hij doet alleen wat hem zelf zint en is volstrekt onbetrouwbaar.

Er is weinig fantasie voor nodig om je voor te stellen waarom de missionarissen in hem een duivel zagen. Overeenkomsten zijn er genoeg. De duivel van de volksverhalen, die in ruil voor je onsterfelijke ziel al je wensen vervult, maar zich niet altijd aan zijn belofte houdt en altijd eerder dan je denkt zijn deel van het contract komt opeisen, verschilt niet zoveel van de grillige goden en godinnen van Afrika – of die van de klassieke oudheid.

Voeg daarbij de gewoonte van alle monotheïstisch religies om de goden van de concurrentie voor duivels uit te maken, en dan is het niet verwonderlijk dat na de opkomst van het christendom Hekate’s domein, het kruispunt, veranderde in een plaats waar de satan rondwaarde. Zo raakte ook de aloude gewoonte om offers te brengen op kruispunten getroffen door de banvloeken van de kerk. Restanten van deze demonisering zijn de kapelletjes die hier en daar nog op het Limburgse platteland te vinden zijn, daar waar twee landwegen elkaar kruisen – stille getuigen van een poging om een tegenkracht op te roepen; om de poorten van de hel althans voor deze kruising gesloten te houden.

En als dan het kruispunt bij nacht bij uitstek het domein werd van de duivel; en alles wat zich daar afspeelde – heksensabbats, mensenoffers, seksorgieën – in de volksverbeelding opgenomen werd met het bekende mengsel van afschuw en begeerte, dan is het helemaal geen vraag meer waarom Faust de duivel uitgerekend op een kruispunt op moest roepen. Waar had hij het dan anders moeten doen?

Maar er is meer.

Laten we ons allereerst niet van de wijs brengen door de voor de hand liggende parallel van het kruispunt met het christelijke symbool van het kruis. Het kruis is als symbool al zoveel ouder; het wordt zelfs beschouwd als een van de oudste religieuze symbolen van de mens. Afbeeldingen ervan zijn gevonden in Mesopotamië, in het oude Egypte, in de ruïnes van Troje en zelfs in Scandinavië; en toen Columbus in Amerika landde trof hij tot zijn verbijstering ook daar kruisen aan. Dus dat we dit teken ook in Afrika ontmoeten zou ons nu niet meer mogen verbazen.

De Bakongo, die leven in het mondingsgebied van de Congo rivier, kennen een ritueel, waarbij een eed wordt afgelegd door een persoon die midden op een kruis staat. Het kruis is met meel of witte klei op de grond getrokken. De horizontale lijn symboliseert de grens tussen twee werelden, die van het leven en de dood, of van de mens en het goddelijke, met andere woorden: de scheidslijn tussen boven en beneden. De verticale lijn verbeeldt het pad over de grens, de weg die de twee werelden met elkaar verbindt. Wie de eed aflegt staat midden op het kruis, en plaatst zichzelf daarmee op die precieze plek tussen leven en dood waar hij het oordeel van God en de voorouders over zichzelf afroept. Wie zou het wagen een eed te breken die op zo’n heilige plaats is afgelegd, en in het bijzijn van zulke getuigen?

Ook de Bakongo horen tot de volkeren die als slaven werden weggevoerd naar de Nieuwe Wereld. Hun afstammelingen nemen nog altijd deel aan riten en plechtigheden die lijken op hun voorvaderlijke rituelen uit Afrika. Soms zijn die riten vermengd geraakt met die van andere volkeren, zoals die van de slavenkust die Legba kennen als de beschermer van het kruispunt. Onvermijdelijk werden ze ook beïnvloed door de religie van de slavenhouders. Waar deze katholiek waren namen de Afrikaanse goden de gedaante aan van christelijke heiligen, zoals ze op bidprentjes staan afgebeeld. Sint Barbara, de heilige die afgebeeld wordt met een toren waar de bliksem inslaat, werd vereenzelvigd met Shango, de Yoruba god van de donder. De Cubaanse zangeres Celina Gonzales schreef ter ere van haar een populair lied met de titel Santa Barbara: “In oneindig verlangen / scheur ik van mijn hart deze melodie, / en smeek ik u uw troost en zegen / neer te laten uit de hemel / Que viva Changó!” En Legba, de wachter op de drempel van twee werelden, werd herkend in de figuur van Sint Petrus, die de sleutels van de hemel bij zich draagt – dezelfde sleutels die, toeval of niet, ook tot de attributen van de Griekse Hekate behoorden.

Tien jaar voor Robert Johnson volgens de legende op het kruispunt stond, werd er in Haïti een boekje met toverspreuken aangetroffen op het lichaam van een deelnemer aan de anti-Amerikaanse opstand van 1920. Het stond vol met recepten als “Hoe een vrouw in slaap te krijgen zodat je al haar slinksheden leert kennen”, “Hoe te verhinderen dat je vijanden je zadel vergiftigen” en “Gebed tegen kogels”. Er stond ook de volgende geestenbezwering in:

“Ga naar het kruispunt op een vrijdag, om middernacht. Neem een kaars van bijenwas, ossewit en zwaluwlever, en steek die aan in de naam van Beelzebuth, met de woorden: ‘Beelzebuth, ik roep je aan opdat je me onmiddellijk bekend maakt met (dit of dat ding).’ Vuur dan een schot af met een geweer dat is geladen met wierook en schroot. Vuur een schot af naar het oosten, met de woorden: ‘Bij het gerommel van de donder, laat alle Koningen der aarde neerknielen. Dat Puer, Agrippa Berke, Astaroth me beschermen. Amen.”

Van Haïti is het maar een kleine stap, via New Orleans, naar de Mississippi delta. Muddy Waters zong ooit hoe hij naar New Orleans ging om een mojo hand te kopen. Anderen kochten er misschien boekjes met dezelfde soort theatrale abracadabra als wat de onfortuinlijke Haïtiaanse opstandeling bij zich had. Het is niet ondenkbaar. Voodoo priesters uit de Big Easy putten uit dezelfde bron als die van Haïti, en wat het ritueel betreft, dat had zich zo kunnen voltrekken, met zijn merkwaardig allegaartje van doe-het-zelf magie en oud-Semitische demonennamen. Wat er precies de Afrikaanse en de christelijke elementen in zijn is niet langer relevant; het ritueel is, zouden we tegenwoordig zeggen “geglobaliseerd”.

En zo komt alles samen op het kruispunt. De oude Europese traditie en de nog springlevende van Afrika vinden elkaar, in de woorden van Tommy Johnson, “daar waar twee wegen elkaar kruisen”. Twee wegen, twee culturen. En midden op dat kruispunt staat dan Robert Johnson, zelf tot symbool geworden, en speelt er de blues: Afrikaanse toonladders vermengd met westerse harmonieleer en flarden van volksdeuntjes, worksongs, vaudeville niemandalletjes en andere ingrediënten. Samen vormen ze het sterke brouwsel dat ooit de jukejoints van Mississippi op zaterdagavond deed schudden op hun fundamenten. Is het dan nog belangrijk wat voor ritueel hij op dat kruispunt uitvoerde, of wie die zwarte man was? Ik hou het erop dat hij het zelf was.

De mensen in die jukejoints zal het ook niet zo veel hebben geïnteresseerd. De mannen niet, die whiskey dronken tot ze genoeg moed hadden verzameld om de vrouw van hun voorkeur mee naar de dansvloer te nemen. En ook de vrouwen niet, die keken naar zijn vlugge handen met de slanke vingers, en die zich afvroegen of hij ook zo’n duivel zou zijn in bed…

© Ben Joosten 2013

 

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s