Crossroads 3

Over duivels, de blues en de mythe van het kruispunt

3. Mami Wata, Sarkozy en Radio Trottoir

Het concept van een geestenwereld die in verbinding staat met de wereld van de levenden is in Afrika zo algemeen dat je het als een fundament van de Afrikaanse kosmologie mag beschouwen. Hetzelfde geldt voor opvattingen over hekserij en magie, die door een grote meerderheid van de Afrikanen worden gedeeld. Dat het bij uitstek de muzikant is die het contact tussen de twee werelden verzorgt is niet toevallig – dat heeft alles te maken met de belangrijke plaats van muziek in de traditionele samenleving. Uit dat contact is het dat zijn begaafdheid voortkomt, zijn muzikale talent en zijn inspiratie. De geesten zien goedkeurend toe op zijn verrichtingen, ze straffen of belonen hem, ze moedigen hem aan, maar kunnen hem ook weer zijn talent ontnemen.

Tot zover lijken er dus inderdaad overeenkomsten te bestaan tussen de Afrikaanse zienswijze en het motief van het duivelscontract, overeenkomsten die zouden kunnen wijzen op een Afrikaanse oorsprong van de Robert Johnson mythe. Maar er is één verschil, een belangrijk verschil; want zonder duivel is er geen contract. En Afrika kent geen duivel.

Geen Satan, geen hellevuur, geen absoluut kwaad. Een traditioneel denkende Afrikaan zal dat allemaal niets zeggen. In Afrikaanse religies, voor zover ze niet zijn aangeraakt door vormen van islam of christendom, is geen plaats voor een hemel en een hel, of voor de strikte scheiding tussen goed en kwaad; het verschil, als het er is, is op zijn best diffuus.

Afrikaanse theologie gaat uit van een spirituele wereld die alom tegenwoordig is en die als middelaar tussen de mens en het goddelijke fungeert. Soms gaat het om vooroudergeesten, soms om vergoddelijkte natuurverschijnselen: de geest van de bliksem, die ook rechter en beul is; riviergodinnen die rijkdom en vruchtbaarheid schenken; geesten die in bomen of in grote stenen wonen.

Een geestwezen, voorouder of god, kan tegelijkertijd goed en kwaad zijn, afhankelijk van hoe hij wordt bejegend. Wordt hij gerespecteerd en krijgt hij zijn offers, dan zal hij welwillend zijn en zijn vereerders voorspoed brengen. Het omgekeerde is ook waar: wordt zijn eredienst verwaarloosd, dan zal hij zich wraakzuchtig betonen. Wat hij gegeven heeft kan hij ook weer terugnemen. Sommige geesten tenslotte zijn grillig van nature; zij straffen of belonen naar hoe het hun goeddunkt. Dit is de traditionele opvatting die ook in de moderne tijd nog altijd door veel Afrikanen wordt gehuldigd.

Het is op het punt waar deze opvattingen vermengd raken met de christelijke definities van goed en kwaad, dat er verwarring ontstaat. Ergens op dat snijvlak bevindt zich dan misschien het moment waarop een buitengewone muzikale begaafdheid, die in Afrika een gift van de geesten zou heten, in de Mississippi delta in de vroege twintigste eeuw tot een pact met de duivel wordt. Zou dat dan de oplossing van het raadsel zijn?

In zijn recent verschenen boek Africa and the Blues komt de Oostenrijkse muzikant en antropoloog Gerhard Kubik met een nieuwe theorie. Hij poneert de stelling dat Robert Johnsons zogenaamde duivelspact in werkelijkheid zou verwijzen naar een verbond met Mami Wata, de West Afrikaanse watergodin die strikte toewijding verlangt, maar daar ook veel voor teruggeeft.

West Afrika kent veel heiligdommen voor Mami Wata; ze zijn overal langs de kust te vinden, van Senegal tot Kameroen, en zelfs tot in het hart van Congo is haar beeltenis te zien – in de vorm van een zeemeermin met lang golvend haar en een spiegel in de hand, of als een exotische danseres met slangen om haar lichaam. In de volkscultuur is de figuur van Mami Wata met haar mysterieuze uitstraling een icoon van schoonheid en elegantie geworden. Popliedjes bevatten toespelingen op haar, zoals het recente 100 % Love van de razend populaire Congolese zanger Fally Ipupa: “viens voir, j’viens de succomber sous ton charme de Mamy-wata” – waarbij charme hier de dubbele betekenis heeft van schoonheid en betovering, waaraan de zanger bekent ten onder te gaan. Want ook deze Afrikaanse liefdesgodin blijkt soms een Lorelei. Er zit een duistere kant aan haar verschijning. Zo beschuldigde een ex-minister van Mobutu de Zairese dictator er ooit van lid te zijn van een occulte sekte. Men kwam bij elkaar in ondergrondse ruimtes en tijdens de geheime rituelen werd een slang vereerd die Mami Wata werd genoemd en dollarbiljetten uitspuwde.

Op 3 mei 2003 speelde zich in het Stade de l’Amitié in de Beninese hoofdstad Cotonou een rampzalige gebeurtenis af die ook in verband met Mami Wata is gebracht; een incident dat bovendien nog een ander licht op onze kwestie werpt. Op die dag  vond er in het stadion een concert plaats van de Congolese superster Koffi Olomide.

Koffi Olomide is een kameleontisch artiest. In zijn loopbaan, die zich uitstrekt vanaf de late jaren ’70, heeft hij gegrossierd in bijnamen. Zijn artiestennaam, Koffi Olomide, was de eerste van een hele reeks aliassen, waarmee hij zich tooit als waren het jachttrofeeën. Sommige werden hem gegeven door zijn fans, andere gaf hij zichzelf: Golden Star, Rambo, Mopao Mokonzi, Décakoraman (die laatste naar aanleiding van het feit dat hij bij de uitreiking van de Afrikaanse Kora Awards in 2005 was uitgeroepen tot “African Artist of the Decade”). Zijn meest controversiële en megalomane bijnamen tot nu toe zijn Benoît XVI (naar paus Benedictus) en Sarkozy.

Hij werd geboren in 1956 als Antoine Agbepa Mumba, naar verluidt op een vrijdag de dertiende (maar dat is niet waar), in Stanleyville (het tegenwoordige Kisangani) in Oost Congo. Beroemd werd hij met een geheel eigen versie van de Congolese rumba die hij tcha-tcho noemt: een uiterst sensueel samenstelsel van geraffineerde arrangementen en heupwiegende ritmes, waarbinnen hij met zijn diepe bariton zwoele slaapkamerballades zingt als een tweede Barry White. In de jaren ’90 was hij ontegenzeggelijk de populairste zanger van heel Afrika, en al is hij inmiddels door nieuwe sterren ingehaald, op die dag in Cotonou was er nog genoeg van die populariteit over om een enorme menigte op de been te brengen. Wat er misging werd later geweten aan het feit dat de toegangsdeuren te laat opengingen, er te weinig beveiliging was en dat mensen met goedkope kaartjes op de duurste plaatsen wilden zitten. Feit is dat er in het gedrang dat er ontstond vijftien mensen omkwamen.

Sommige commentatoren, waaronder die van het Beninese dagblad Le Progrès, wezen met een beschuldigende vinger naar de Congolese ster. Niet omdat hij te laat kwam en daardoor onrust onder het samengedromde publiek veroorzaakte, nee, volgens hen was er iets volkomen anders aan de hand. Hij zou, schreven ze, het op een akkoordje hebben gegooid met bovennatuurlijke machten die hem roem en rijkdom hadden gebracht, maar die in ruil daarvoor bloed eisten; dat en niets anders was de verklaring voor de vijftien doden in een stadion waar in alle jaren daarvoor nog nooit incidenten waren geweest. Het feit dat de zanger met geen woord iets over het voorval zei of ook maar enig medeleven toonde met de slachtoffers of hun nabestaanden, droeg bij aan de algemene conclusie dat er sprake was van duivelse zaken.

Het is algemeen bekend, aldus de commentator van Le Progrès, dat Koffi Olomide een verbond heeft gesloten met Mami Wata; zij bezorgt hem zijn succes en zijn inspiratie. En als aardig detail voegde de schrijver er aan toe dat de zanger alleen dan zijn muziek kan componeren als hij zijn voeten in een bak met water heeft staan. (Dit doet, tussen haakjes, denken aan de anecdote die destijds verteld werd over Beach Boy Brian Wilson, die zijn hits schreef terwijl hij en zijn piano zich in een bak met strandzand bevonden.)

Het is opmerkelijk dat vrijwel niemand het vreemd vond om dit soort beschuldigingen in de pers afgedrukt te zien. Alleen op de talrijke fansites en internetfora werd over en weer gescholden door voor- en tegenstanders van de Congolese ster; maar overal elders waren de reacties nogal lauw. Er wordt van zoveel mensen wel iets beweerd, dat was ongeveer de teneur van deze commentaren.

Koffi Olomide blijkt dan ook bepaald niet de enige populaire artiest te zijn van wie gezegd wordt dat aan zijn succes een occult luchtje zit. Wie in Kinshasa zijn oor te luisteren legt bij radio trottoir kan daarover genoeg te horen krijgen, inclusief alle lugubere details. Het lijkt wel of iedereen die maar succesvol is, muzikant, zakenman, voetballer, politicus, verdacht wordt van praktijken die met hekserij en zwarte kunst te maken hebben. En wat verder opvalt, is dat de vanzelfsprekendheid waarmee Afrikanen in het bovennatuurlijke geloven, in het gedestabiliseerde Congo een heel wat grimmiger gedaante heeft aangenomen dan het dromerige magisch-realisme van de West Afrikaanse savanne.

Toen in 1989 Franco overleed, de man die algemeen beschouwd wordt als de grootste Afrikaanse artiest aller tijden, gonsde het land ook van kwade geruchten. Sorcier de la guitare was zijn bijnaam, refererend aan de lange, hypnotiserende soli waarmee hij zijn fans in vervoering bracht. Hij stierf, na een slopende ziekte waarvan niemand officieel heeft toegegeven dat het aids was, in een Belgisch ziekenhuisbed, en kreeg een begrafenis op kosten van de staat. Zijn leven lang hebben aantijgingen over hekserij hem achtervolgd, beschuldigingen die hij soms weersprak, in nummers met titels als Kintul (de Tovenaar) en Kimpa Kisangameni (Heksensabbat). Het laatste, getoonzet op een traditioneel Bakongo ritme, is een minutenlange woedende tirade tegen hekserij en magie die de argeloze luisteraar de stuipen op het lijf jaagt. Elders zingt hij dan toch weer hoe hij als jongeman werd ingewijd door een fetishpriester, compleet met allerlei details, alsof het hem niets kon schelen dat het een het ander misschien tegensprak..

Franco, wiens doopnaam luidde François Luambo Makiadi, werd geboren in hetzelfde jaar dat Robert Johnson overleed, op 6 juli 1938. Hij was een ziekelijke baby van wie iedereen verwachtte dat hij hooguit een week zou leven. Maar hij redde het. Toen hij stierf was hij een van de machtigste mannen van zijn land, en er was geen Afrikaan die zijn naam nooit had gehoord.

Franco’s dood, zo werd gefluisterd, zou zijn veroorzaakt toen bij grondwerkzaamheden in Kinshasa Chinese bouwvakkers per ongeluk de gris gris blootlegden die hij ooit begraven had. Door deze gebeurtenis waren ze onwerkzaam geworden en keerden zich nu tegen hem; zo werd de tovenaar het slachtoffer van zijn eigen tovenarij.

Franco’s toveramuletten hadden begraven gelegen op een braakliggend stuk land, onder een bruggetje tegenover zijn nachtclub Un Deux Trois. Met die club was ook al iets bijzonders aan de hand, zei men: niet alle bezoekers die er ’s nachts kwamen dansen hoorden tot de levenden… Er groeiden zeventien planten tegen de gevel; er waren zeventien muzikanten onder mysterieuze omstandigheden overleden. Was dat dan de manier waarop de man zijn muzikale concurrenten uitgeschakeld had? Radio trottoir meende van wel. Franco zelf kon niets meer zeggen.

© Ben Joosten 2013

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s