Crossroads 2

Over duivels, de blues en de mythe van het kruispunt

 2. Orpheus in de Delta

Wie zichzelf de taak gesteld heeft het raadsel te ontwarren, of in ieder geval te plaatsen in een algemener kader, zal om te beginnen moeite moeten doen om, Faustiaans gezegd, Wahrheit van Dichtung te onderscheiden. Niet eens zozeer om de ware toedracht te achterhalen – ik schreef al dat dat onmogelijk is. Maar vroeg of laat staan we zelf op dat kruispunt, en wat dan? Zal er een zwarte man komen, een vliegende draak, een grijze monnik?

Tot nu toe lijkt het erop dat de mythe van de bluesman op het kruispunt moeiteloos is in te passen in de Europese traditie van het duivelspact. De verschillende details duiken voortdurend weer op – het losbandige leven, een bovennatuurlijke begaafdheid, een merkwaardige voorliefde voor kerkhoven en duivelse thematiek en tenslotte een eenzame, gruwelijke dood. Er is niets wat er op wijst dat Robert Johnson’s afro-amerikaanse achtergrond een speciale rol heeft gespeeld, al wordt daar door diverse auteurs telkens weer naar verwezen. Zijn al die speculaties over voodoo praktijken en West Afrikaanse religieuze tradities dan uit de lucht gegrepen? Is er misschien toch iets specifiek Afrikaans aan te wijzen?

Om dat te achterhalen zullen we moeten kijken of er ook in Afrika parallellen te vinden zijn. Welnu, die zijn er.

In zijn boek Musique de l’Afrique haalt de Kameroenese muzikant/dichter Francis Bebey een voorbeeld aan dat het woord “roeping” een speciale betekenis geeft. Hij citeert een boer uit een Baulé dorp in Ivoorkust, die op een dag onder het weven een visioen krijgt:

“Ik zag twee dwerggeesten die tegen me zeiden: ‘Sta op! Ga naar huis en verhang jezelf.’ Geen van de andere wevers kon hen zien. Ik liet mijn weefgetouw staan en ging naar huis. Ik vond een stuk touw, maakte dat vast aan een dakspant en hing mezelf op. Een paar van mijn dorpsgenoten waren me achterna gekomen, zij sneden het touw door en gingen toen een ziener raadplegen. Hij vertelde hun dat in het verleden familieleden van mij bespelers van de harp waren geweest, en tenzij ik de traditie zou voortzetten was ik gedoemd om te sterven. Er was geen harpspeler meer in het dorp sinds mijn vaders broer gestorven was. Familieleden vonden het instrument, dat niemand meer had aangeraakt na de dood van mijn oom, en ze offerden een kip. Toen begon ik op de harp te oefenen.

Zodra het bekend raakte dat ik het bevel had gekregen om harp te spelen, kreeg ik uitnodigingen uit alle buurdorpen om daar te komen spelen en ik ontving veel geschenken. Soms was ik weken achter elkaar onderweg. (…)

Als ik sterf, zullen de dwerggeesten mijn opvolger uitkiezen.”

Dit merkwaardige verhaal, dat nog merkwaardiger wordt wanneer we weten dat de dwerggeesten de muzikant tegen wil en dank ook nog de macht gaven om een bepaalde vorm van lepra te genezen, lijkt in een soort spiegelbeeldige relatie te staan met de geschiedenis van Robert Johnson. Hier is het niet de muzikant die contact zoekt met de wereld van de geesten, maar het zijn juist de geesten die de muzikant opzoeken. In zekere zin, kun je zelfs zeggen, is ’t het instrument zelf – in dit geval de zessnarige aloko harp van de Baulé – dat zijn bespeler zoekt, en vindt.

Een verhaal dat hier heel veel op lijkt, is ooit verteld door Ali Farka Touré, de tot vervelens toe met John Lee Hooker vergeleken bluesman uit Niafunké in Mali. Ik haal het hier aan in zijn eigen woorden, omdat die in hun eenvoud en zakelijkheid zo veelzeggend zijn.

“Ik kende hem goed, de geest van wie ik mijn gave heb gekregen. Ik herinner me die nacht in Niafunké. Een nacht die ik nooit zal vergeten. Ik was een jaar of dertien. Ik was wezen kletsen met mijn vrienden. Ik had mijn monochord bij me (djerkel, de eensnarige luit, bj) en onder het lopen speelde ik wat liedjes, gewoon, zomaar. Het was ongeveer twee uur in de ochtend. Ik kwam op een plek waar ik drie kleine meisjes zag, de een groter dan de ander, net als traptreden. Ik tilde mijn rechtervoet op. Mijn linkervoet kon ik niet bewegen. Zo stond ik daar tot een uur of vier.

De volgende dag ging ik uit huis. Ik had mijn instrument niet bij me. Ik liep naar de grens van het akkerland. Ik zag een slang met een merkwaardig teken op zijn kop. Eén slang. Ik herkende de kleur meteen, zwart en wit. Niet geel of een andere kleur, zwart en wit. Hij slingerde zichzelf om mijn hoofd. Ik veegde hem van me af, hij viel en verdween in een gat in de grond. Ik rende weg. Vanaf dat moment begon ik aanvallen te krijgen.

Ik trad een nieuwe wereld binnen. Het is anders dan hoe je normaal bent; je bent niet langer de persoon die je kent. Of het nu vuur is of water, of ze je slaan of niet, je voelt er niets van.

Ze stuurden me naar Hombori om te genezen en toen ik weer beter was ging ik terug naar mijn familie.

Toen ik daarna weer muziek begon te maken, werd dat heel, heel goed ontvangen door de  geesten. En ik was normaal. Maar het was heel moeilijk, en ik was bang. Mijn moeder was ook bang, want ik was haar tiende zoon en als ik was doodgegaan was dat heel ernstig geweest – het brengt erg veel ongeluk als het tiende kind doodgaat.

Zo is het gegaan.”

Niafunké ligt aan de oever van de Niger. Zoals de Mississippi “River of Songs” wordt genoemd, is de Niger de rivier van de zangers. Djoliba, of Djeliba, de naam die de Niger draagt in Guinee en Mali, betekent: rivier van de djeli, in de talen van de Mandé volkeren het woord voor de rondtrekkende troubadours van West Afrika, bij ons beter bekend als griots. En net zoals de Mississippi heeft ook de Niger een binnendelta, een uitgestrekte, waterige vlakte waar geesten rondwaren en spookverhalen worden verteld.

Veel wonderlijks speelt zich af in deze wereld. Aan sommige muzikanten, of aan hun instrumenten, worden bijzondere krachten toegeschreven. Daar is bijvoorbeeld Bazoumana Sissoko, bijgenaamd le vieux lion. Jarenlang was hij de stem van Radio Mali; dat wil zeggen dat belangrijke nieuwsuitzendingen en toespraken van de president werden voorafgegaan door een van zijn liederen. Deze oude leeuw bezat een ngoni (vijfsnarige luit), die de reputatie had om uit zichzelf te gaan spelen wanneer de verkrampte vingers van de grijsaard niet langer de snaren konden beroeren. Maar ook minder beroemde muzikanten worden geacht over magische vermogens te beschikken. Vogels houden op met zingen en zelfs de daken verheffen zich van de huizen, wanneer de muzikant zijn melodieën speelt. Oude mythen komen tot leven in dit land van paradoxen, waar woestijn en water elkaar omarmen en Afrikaanse nazaten van Orpheus op hun harpen spelen.

Dat er een duidelijke relatie bestaat tussen magie en muziek in Afrika is niets nieuws. Er is al heel veel geschreven over de plaats en functie van Afrikaanse muziek en over de spirituele betekenis ervan; maar hier gaat het om de persoonlijke relatie van de muzikant met zijn muziek en met de “andere wereld”, de wereld van de geesten.

Wat bovenstaande voorbeelden met elkaar gemeen hebben, is dat ze allemaal spelen in of aan de rand van het savannegebied van West Afrika, de regio waar de meeste muzikale stijlkenmerken te vinden zijn die via de slavenhandel en het plantagesysteem van Mississippi uiteindelijk in de Deltablues van Robert Johnson en zijn tijdgenoten terecht zouden komen. Maar geldt dat ook voor hun culturele achtergrond, de magisch-religieuze matrix waarop de muziek is geënt?

Opvallend in de verhalen van zowel de anonieme Baulé muzikant als wereldster Ali Farka Touré, is het gegeven dat alles wat er gebeurt zich buiten de bewuste wil om voltrekt. Geen van beiden zijn ze erop uit om, in Faustiaanse stijl, een muzikale vaardigheid of talent te verwerven. Het is alsof ze buiten zichzelf treden; een drang die sterker is dan zijzelf dwingt hen. Het is iets waaraan ze onmogelijk weerstand kunnen bieden. De Baulé muzikant wil helemaal geen muzikant worden – maar hij moet. Hij kan niet anders. Het is muziek maken of sterven – een kwestie letterlijk van leven of dood. Daarbij vergeleken is het geflirt met de dood door de bluesman van een heel andere dimensie. Robert Johnson’s wereld, die van existentiële angst, van hellehonden en duivels, lijkt ver af te staan van de gelijkmoedigheid van de Afrikaan, die het feit dat hij geen keus meer heeft uiteindelijk accepteert – en verder leeft.

© Ben Joosten 2013

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Crossroads 2

  1. Djeli Joosten zegt:

    Beste Ben,

    Wat grappig dat ik nu meer geschiedenis van mijn naam weet.

    Groetjes,
    Djeli Joosten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s