Voorbijganger in Ouaga

Ik voel het vooral wanneer de dagen korter worden en de kou tegelijk met het duister omhoog lijkt te kruipen uit de grond. Ik voelde het toen ik gistermiddag de winkeldeur achter me dichtsloeg en naar huis liep, de boodschappentas tegen me aan geklemd en de kraag van mijn jas opgeslagen tegen de wind. Het was al bijna sluitingstijd en in de verte hoorde ik het metaalachtige gekletter dat betekende dat gemeentewerkers bezig waren de markt af te breken. Ik wachtte voor het stoplicht en zag hoe het weerkaatste in een plas op de weg en zelfs in het asfalt rondom de plas, rood licht dat groen werd; ik stak over en voelde hoe het heimwee me besprong, niet langzaam en sluipend, maar snel en wreed, als een roofdier.

En vanochtend, toen het klepperen van de brievenbus mij wekte, vond ik een ansichtkaart uit Ouagadougou met een foto van de markt en achterop de hartelijke groeten; ik draaide hem om en om in mijn hand en bekeek het kleurige tafereel zo lang dat ik bijna de geuren kon ruiken.

Ouagadougou! Het is alsof de naam, die snelle roffel van een tamtam, de deur openzet naar een andere wereld, vol beelden en herinneringen -aan de hitte, het rode stof in de straten, de houtvuurtjes ’s nachts, de muggen, de straatventers, de terrassen met de schetterende muziek. Ik beleefde opnieuw het ritme van de lange, luie dagen en de slapeloze duisternis van de nachten. Ouagadougou, waar ik mijn hart verloor en terugvond en telkens weer verliezen zal, waar het leven traag maar hard is en de avonden lang en lawaaiig zijn, waar alle schoonheid en smerigheid van Afrika en (wie weet) de wereld lijkt te zijn samengekomen in een stad die symfonie en nachtmerrie tegelijk is.

Zonder al te veel moeite zie ik mezelf – nu ik dit schrijf – weer zitten op het terras onder de arcade langs de markt, de juiste plaats voor een koele drank aan het eind van de middag; vandaar kon ik dagelijks de bonte stoet straatventers voorbij zien paraderen met hun soepele tred en hun bakken vol bric-a-brac. Ik herinner me de regenjasverkoper die daar op een dag liep met vier jassen over elkaar aan en nog eens twee over zijn arm, terwijl het regenseizoen allang voorbij was, het elke dag heter en droger werd en binnenkort de harmattan uit de woestijn zou gaan waaien om wolken van stof door de stad te blazen. Het is om dat soort ongerijmdheden dat ik van die stad hou en van haar bevolking van gekken, mislukten en optimisten-tegen-beter-weten-in; en tegelijkertijd besef ik dat ik nooit – hoe ik het ook probeer – een van hen zal zijn.

Diezelfde middag dat ik me verbaasde over de regenjasverkoper en zijn slechte neus voor de juiste koopwaar op het juiste moment werd ik begroet door zeker drie verschillende personen die beweerden mij te kennen maar die ik nog nooit eerder had gezien; een van hen had mij een jaar daarvoor in Niger ontmoet, hoewel ik daar slechts eenmaal en heel lang geleden geweest ben, de derde sprong speciaal uit zijn auto om mij de hand te drukken en veroorzaakte zo een tijdelijke verkeersopstopping waaraan pas na veel lawaai een einde kwam. Ik zal nooit weten voor wie hij mij aanzag, want ik heb hem niet meer gezien; die middag was mijn laatste in Ouagadougou.

Het was misgegaan met E. Ik had haar meegenomen naar de stad waarvan ik hield, en uitgerekend daar – want liefde komt nu eenmaal zelden van twee kanten – was ik haar kwijtgeraakt. Eerst had ik nog gedacht dat het de hitte was, het gevecht elke nacht tegen de muggen en de slaap, de vermoeienis van de reis; ik vergaf haar graag haar lichtgeraaktheid en slechte humeur. Toen had ze me, na afloop van een onder dodelijk stilzwijgen genoten maaltijd (vis met champignons op een terras aan de Avenue Loudun) tenslotte verteld dat ze wegging.

Het doet er niet toe wat er precies was fout gegaan en wiens schuld het was. Dit is geen poging tot reconstructie – het is niet meer dan een handvol impressies en herinneringen, opgeroepen door een ansichtkaart. Misschien was het eenvoudig niet de goede tijd en plaats voor ons. Misschien is Ouagadougou, denk ik soms, een jaloerse minnares, en straft ze iedereen die haar niet onvoorwaardelijk en exclusief genegen is. De volgende dag bracht ik E. naar het station, waar de trein naar Bobo Dioulasso vertrok. Ze zou er een week blijven, of langer. Het was een bleke ochtend, kil in het licht van de opkomende zon, we liepen langs de sigarettenverkopers en de bedelaars tot aan de lege stationshal en het perron met de wachtende trein. Ze toverde een droeve glimlach op haar gezicht. Ik wilde zeggen: blijf alsjeblieft, maar in plaats daarvan zeiden we banale dingen als “Nou dag dan maar” en “Goede reis”. Tenslotte keerde ik me om en liep de dag in.

Ik voelde me heel helder en alert, zoals je je ’s ochtends kunt voelen ondanks het vroege uur en een gebrek aan slaap; een bewustzijnstoestand die je zintuigen scherpt en de omringende wereld iets glasachtigs geeft. Ik rook de geuren van Ouagadougou: een toverachtige melange van woestijnstof met bloesems en uitlaatgassen, roest, rubber, open riolen, fruit, okselzweet, alcohol, goedkope zeep, specerijen, pepers, de doordringende beestenlucht van pasgeslachte kadavers; dat alles en nog iets extra’s mengde zich tot de bedwelmende moedergeur van Afrika.

Bij een caféman op een hoek bij de markt dronk ik mijn nescafé-met-gesuikerde-melk temidden van zwijgende mannen en kantoormeisjes op weg naar hun werk; ik probeerde ook wat te eten maar kreeg geen hap door mijn keel. Terug in het hotel pakte ik mijn spullen en betaalde de rekening, liep met een gebaar van berusting de straat op en nam een taxi naar de Rue Patrice Lumumba, waar ik mijn intrek nam in Hotel Delwendé. Ik had meer dan een reden om te verhuizen, maar ik wilde vooral de herinnering verdrijven en met een schone lei opnieuw beginnen. Wat moest ik verder nog in die kamer aan de Avenue Yennenga, die zonder haar niets anders was dan een somber hol met een doorgezakt bed, honderden muggen en een eindeloos rondwentelende ventilator? Ik had genoeg van altijd dezelfde mensen, hetzelfde uitzicht, hetzelfde stuk straat. Nu was er niets meer dat me aan haar herinnerde. Ik wist niet hoe ik me moest voelen. Opgelucht, misschien, of ongelukkig.

En toch kon ik aan niets anders denken dan aan dat droevige afscheid bij het station. Ik probeerde mijn herinneringen te verdrijven met lange wandelingen door de stad maar ontmoette voortdurend mensen die ons samen hadden gezien en die naar E. informeerden; het werd steeds heter, de stad was een oven. Ik wilde dat het allemaal een droom was. Ik miste haar en snauwde naar een ansichtkaartenverkoper en groette niet terug toen een man die ik niet kende mij groette, hij werd boos en achtervolgde me – hij liep een beetje mank – alsmaar zeggend “Als iemand je groet dan zeg je iets terug, je bent niet beleefd, mijn vriend”. “Rot op”, schreeuwde ik terug, “je bent mijn vriend niet”. Ik voelde me ellendig en ik miste haar.

Ze zweefde mee in ieder zuchtje wind, ze danste voor me in het stof op straat. Ik liep maar rond en rond en dronk de stad in met nog steeds die abnormale scherpte van mijn zintuigen die me alles deed opmerken, het brokkelend sierstucwerk van tuinmuurtjes waarover wasgoed te drogen hing, de fletsgroene kleur van de metalen raamluiken, de onbeholpen hand waarmee iemand “defense d’uriner” had geschilderd op een blinde gevel, die kleine details, tesamen met de tatoeages in het gezicht van een bejaarde vrouw en de amodieuze snit van de jurken in de etalage van een kleermaker – ook daarin doemde ze telkens weer op.

fragment uit Voorbijganger in Ouaga,  verschenen in Verhalen over Onderweg, Elmar, Rijswijk, 1998.

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s