Romanfragment 3

“Meen niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde”, klonk de stem vanaf de preekstoel. “Geen vrede, maar het zwaard ben Ik komen brengen.” De priester liet de woorden door de ruimte rollen, over het middenschip en langs de zijkapellen, totdat ze achterin, tussen de staanplaatsen van de armen, verdronken in hun eigen galm. Met zijn armen stevig op de rand geleund keek hij vorsend uit over zijn kudde. “Geen vrede, maar het zwaard”, herhaalde hij dreigend. “Geen vrede, maar het zwaard. Waarschuwende woorden! Wat is het dat het heilig evangelie ons hiermee wil zeggen? Wat is dat zwaard? Waarom is Hij het komen brengen? En tegen welke vijand wil Hij dat wij strijden?”

De burgers richtten hun blikken op de voorste rijen, waar aan de linkerkant burgemeester Jan van Beugel zat met de schepenen, rechtop en zeer bewust van het feit dat de hele kerk naar hen keek, en rechts de schout achter de heren van het Hof. Ze wisten het antwoord op deze vraag. Het zwaard, dat waren deze mannen. Het zwaard dat recht sprak, dat de schuldigen van de onschuldigen scheidde, dat de rechtvaardigen spaarde maar de zondaars strafte. Gods wrekend zwaard, dat in de ogen van de kerk maar al te vaak te krachteloos was gehanteerd – ze hadden het de pastoor meer dan eens horen zeggen. Ook nu verhief hij weer zijn stem terwijl hij sprak over Gods toorn en hoe ze Hem hadden gesmeekt dat Hij hun vroede vaderen met Zijn wijsheid zou verlichten.

“Het evangelie zegt: Wie niet zijn kruis opneemt en Mij niet volgt, is Mij niet waardig – is dát het niet wat wij van onze overheden vragen: dat zij net als destijds de kruisridders hun kruis opnemen en tegen de vijand ten strijde trekken? Ridders van het geloof, ridders van God de Heer?”

En wie was die vijand? Wie loerde er vanuit het duister om Gods kudde te verderven? Is het niet de goddeloosheid? vroeg de priester retorisch. Is het niet de zonde? En heerst die niet overal? In het zo nabije Gulick had de ketterij van Luther en Calvijn vrij spel. Aan de overkant van de Maas, in Luik en in Loon, rookten de brandstapels; daar tierde het heksengebroed weer net zo welig als vroeger. En hier, in onze mooie stad, hier was het niet veel beter. Ook hier waarde de duivel rond, en het ergste was nog dat hij er het masker van fatsoen bij op had gezet. Jazeker! Eerzame burgers, ja, dezelfden die zich hier rondom hem schaarden, dezelfden die zich lieten voorstaan op hun deugd en rechtschapenheid, diezelfde brave burgers duldden in hun midden, het moet gezegd, het mag niet met de deken van lankmoedigheid worden bedekt, duldden in hun midden de ergste zonden van allemaal, te weten onkuisheid en ongeloof. Jawel, onkuisheid. Jawel, ongeloof. Wat zou de heilige Christoffel, van wie zij hier vandaag de feestdag vierden, wat zou die wel niet denken als hij hen hier zou zien, in hun uitdagende en pronkende kledij. Uitdagend? Uitdagend ja, in zijn praalzucht, zijn kleuren en plooien, zijn pluimen en panden, erger nog, door wat al dat kant en zijde niet of nauwelijks bedekt – u mevrouw, uw blote hals, uw borsten en uw schouders, foei! Driewerf foei! Wat zou hij niet denken als hij hun dochters over straat zag gaan, zwaaiend met hun slepen en hun slippen, ach, ach, ontuchtig schuddend met de strikken van hun achterwerk! Ja, wat zou hij wel niet denken, deze heilige man; hij zou menen dat hij in een poel van hoererij en ontucht was beland! Want ze wisten toch dat van het een het ander komt? Want hoeveel onder hen – hier aangeland liet de pastoor zijn blik langs de verzamelde gelovigen gaan en liet hem daarbij nu eens hier, dan daar wat langer rusten – hoeveel van hen leefden er inderdaad niet schaamteloos in zonde, met alleen een trouwpenning als onderpand, in plaats van met de zegen van de kerk? Waren ze dan vergeten dat het huwelijk een heilig sacrament is?

En als dat nog niet erg genoeg was – hoeveel waren er bovendien niet, en hoe verschrikkelijk was het om het te moeten zeggen, die bij dat alles nog zo kleingelovig waren, zo miserabel in hun ongeloof, dat zij bij de geringste tegenslag, het kleinste pijntje, het minste kuchje, niet op de kerk vertrouwden, nee, niet op de Heer, niet op de kracht van het gebed, maar die in plaats daarvan te rade gingen bij de knechten van de duivel – bij waarzeggers en tovenaars, bij wichelaars en heksenmeesters?

“O, we denken zo gemakkelijk dat het geen kwaad kan. Dat Onzelieveheer het ons uiteindelijk wel zal vergeven. Wat schaadt het ons, denken wij, zolang het ons van onze pijn en onze angst afhelpt? Maar ik zal u zeggen wat het ons schaadt. Ik zal u zeggen wat het van ons maakt. Goddelozen, heiligschenners, dat maakt het van ons! Denkt u dat het een mindere zonde is? Denkt u dat u beter bent dan heidenen? Nee, nee, nee! Meent u dat u minder te verwijten valt dan joden en afvalligen? Kunt u God in de ogen kijken en zeggen, eerlijk zeggen, dat u een beter mens bent dan een moordenaar of overspelige? O ja, dit zeg ik u: wie bij de duivel te rade gaat, die is geen haar beter dan de duivel! Ik kijk op deze mooie ochtend om me heen en wat zie ik: gulzigaards, ijdeltuiten, lichtekooien, echtbrekers, hoerenlopers, afgodendienaars!” De priester liet zijn stem bij elk woord galmend de hoogte ingaan. “Alleen de heksen en hun meesters zelf ontbreken nog, maar hoelang, dat vraag ik u: hoelang?”

fragment uit “De Smaak van As” © Ben Joosten 2012

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s