De dame fluistert

Misschien is hij nu wel op zijn mooist.

Ik hou van de manier waarop in mijn tuin het perspectief verschuift wanneer het donker wordt. Wanneer de schaduwen zich verdiepen en, waar de liguster het uitzicht op het pad blokkeert, nog dieper en zwarter worden. Dan lijkt het of hij zich eindeloos uitstrekt – alsof je uren door kunt lopen zonder hem te verlaten. Terwijl het in werkelijkheid een tuintje van niks is, alleen geschikt om de was op te hangen en koffie te drinken in de ochtendzon. Meer dan dat doe ik niet – daar zorgt Patricia wel voor. “Je weet toch wat de dokter heeft gezegd?” maant ze me. En dan knik ik.

Maar nu is hij op zijn mooist.

De merel op de dakrand is al lang geleden opgehouden met zingen. Er klinken flarden van gesprekken, gelach, geluid van een televisie die aanstaat, allemaal vaag en ver weg, alsof er watten in mijn oren zitten. Maar naarmate het later wordt, wordt het ook stiller. Straks zullen overal de lichten uitgaan en ben ik de enige die nog hier buiten zit, uitkijkend over steeds diepere schaduwen die mijn blik ver weg voeren, naar een andere tijd, een ander leven.

Laat ik in mijn gedachten dit tuinpad aflopen naar waar ik maar wil. Ik kom geen hekken tegen, geen biobakken, geen brandgang met afgedankte wasmachines. Ik loop voorbij een rozenprieel, een geurende sering, een op zijn kant gevallen vogelhuisje, oude autobanden, een zandbak. Plotseling weet ik dat dit de tuin is van oom Gerard. Oom Gerard! Waarom moet ik nu zo ineens aan hem denken? Oom Gerard is al jaren dood. Het was op zijn begrafenis dat ik Wim nog tegenkwam; een vreemde, vroeg oud geworden man die allang niet meer leek op de neef van vroeger, met wie ik stiekem naar buiten sloop om te roken en vieze foto’s te bekijken. Zo lang geleden. Waarom moet ik daar nu aan denken?

Oom Gerards tuin strekte zich uit van het huis tot helemaal aan de rivier, wel bijna honderd meter avontuur, met bosjes vol dood hout om hutten mee te bouwen, vuurtjes te stoken en duizend en een dingen te doen. Ik was twaalf, de enige en laatste zomer van ons geheime verbond.

Het was neef die me het verhaal vertelde van de Witte Dame. “Witter dan maanlicht”, zei hij, “en als ze aan je verschijnt weet je dat er iemand zal sterven.”

“Maar wat doet ze dan?” vroeg ik.

“Ze komt”, zei hij geheimzinnig. “Ze laat zich zien. En dan, op een nacht, wanneer je slaapt, buigt ze zich naar je over en dan…”

“Wat dan?” vroeg ik. Ik zag haar voor me, een spookachtig mooie vrouw met bleke lippen die onhoorbaar een naam fluisterden. Als je die naam verstaat, en als het jouw naam is, dan sterf je. Ik zei het niet, ik dacht het alleen. We lagen aan de rivieroever tussen het fluitekruid en bliezen langzaam de rook uit van onze sigaretten. Een rookpluim werd gegrepen door het maanlicht en danste grillig en kortstondig voor onze ogen. “Daar is ze”, zei ik.

“Je moet daar niet mee spotten”, zei hij.

Ik had me daarvoor nooit afgevraagd waarom er geen tante was in het huis van oom Gerard en neef Wim, maar toen begon ik er iets van te begrijpen.

Hij heeft me alles verteld, hoe ze langzaam wegteerde totdat er niets meer van haar over was. “Ze was helemaal wit geworden”, zei hij. “Bijna doorschijnend wit. Dat heb jij nog nooit gezien.”

Dat was misschien wel waar, maar ik wist het geheim van het fluisteren.

Ik had hem moeten vragen of ze oom Gerard ook was komen halen, bedenk ik me nu. Maar misschien zou hij allang niet meer geweten hebben wat ik bedoelde. Mensen vergeten dingen.

Ik knipoog naar de maan. Ze piept net boven de dakrand uit, te laag om haar rechtstreeks te zien, maar hoog genoeg om gevangen te worden in de spiegel. Zo bekijken we elkaar, de maan ziet mij, ik zie de maan, en tussen ons in staat daar de spiegel.

Hij leunt half tegen het muurtje, en ik merk nu dat er een barst in zit, en er zijn splinters af. Is hij gevallen? Ik kan me niet herinneren dat het gebeurd is, maar ik moet plotseling aan iets anders denken. Iets wat Patricia zei. Vanochtend stond ze in de tuin te luisteren en wees met een angstig gezicht naar de grond. “Het zoemt. Daar, bij de schutting. Hoor je het niet?”

Ze had me ooit verteld dat ze als kind door een bij was gestoken. Sindsdien had ze een panische angst voor alle vliegende insecten, maar vooral de soort die harig is en zoemt.

Ik keek in de richting die ze aanwees. Er was niets te zien. Ik knielde bij de schutting en hield mijn oor vlak boven de grond om te luisteren; er klonk inderdaad een soort van gonzen, een geluid dat zo zacht was dat je het makkelijk zou missen, maar tegelijkertijd zo doordringend, dat als je het eenmaal wist, je het overal hoorde.

“Een nest, denk ik. Hommels of wilde bijen.”

“Bijen!” Patricia deinsde angstig terug. “Een nest!” Ze keek me beschuldigend aan. “Ik zet geen voet meer in deze tuin.”

Natuurlijk verzekerde ik haar dat ik onmiddellijk naar het tuincentrum zou gaan om een bestrijdingsmiddel te kopen. Ik zei het haar nog een keer, toen we binnen een beetje onnozel stonden te doen om haar paniek, en nog een derde keer, toen ze afscheid nam om naar haar werk te gaan. Patricia werkt in een kapsalon. Ze heeft verzorgende handen. Ik hou ervan als ik ze op mijn huid voel, als ze me strelen, lichtjes met de vingertoppen. Ik hou van haar handen. Ze legt ze op mijn borst, vlak boven mijn hart en zegt: “Pas op die rikketik van je. Ik wil je niet kwijt.” Ze is zo bezorgd. Maar ik heb dat bestrijdingsmiddel niet gekocht. Ik ben de deur uitgegaan om het te halen, en ik kwam thuis met een blik verf.

De spiegel vond ik op de rommelmarkt, een tijdje terug. Hij ving mijn blik en ik wist dat hij daar voor mij stond, voor mij speciaal, en dat ik hem hebben moest, ondanks de te hoge prijs en de lijst die wel een verfje kon gebruiken. Nu staat hij hier, half tegen het muurtje, zonder lijst, en reflecteert gebarsten maanlicht. Ik mijmer over de afstand die het licht heeft afgelegd voor ik het hier ving met mijn spiegel, over de eindeloosheid van het heelal, de diepte van de duisternis; ik loop nog een keer voorbij de liguster de schaduwen in en kijk met verwondering naar een sliert rook die wit oplicht en verandert in een vrouw met lange bleke haren, en ik vraag me af: waarom is Patricia niet thuisgekomen?

Ik kan me om de een of andere reden niet goed bewegen. Ik tast met mijn hand. Het is nat. Plotseling begrijp ik waarom het hier al de hele tijd naar terpentijn ruikt. De fles is blijkbaar omgevallen toen de spiegel viel. Ik heb hem weer recht gezet. Heb ik hem recht gezet? Ik weet zoveel niet meer. Ineens lijkt het belangrijk. Ik was bezig met iets – de lijst, geloof ik. Ben ik gevallen? Maar ik voel geen pijn, ik voel helemaal niets.

De mensen zijn naar binnen gegaan, de ramen zijn dicht, de lichten uit. Er brandt nog een enkele buitenlamp, ergens, een streep licht op een muur, maar verder is het donker. Alleen de maan staat aan de hemel, hoog boven de dakrand zodat ik haar kan zien. De witte dame. Het lijkt net of ze zich naar me over buigt. En iets fluistert. Maar is zij het wel? Het kunnen ook de bijen zijn. En ik denk aan Patricia. Ik weet het alweer: ze zou naar een feestje gaan. “Het wordt laat”, had ze gezegd. Nu zal ze het nooit meer zeggen, niet tegen mij. Ik hoop dat ze niet te erg zal schrikken.

Ik besluit het tuinpad af te lopen, helemaal tot aan de rivieroever, en misschien, als ik zin heb, nog verder.

 

2e Prijs verhalenwedstrijd Onze Eigen Tuin, 2009

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s