Het trieste der tropen

Twee tachtigwoordenverhalen. Herinneringen aan gelukkiger dagen, toen het ergste wat je kon gebeuren was dat de enige winkel in het dorp alleen inferieure drank verkocht. Dat is het leed van de reiziger. Het tweede verhaal vergeet te vermelden dat de palmbomen mottig waren en leden aan de een of andere bomenziekte, en dat het strand tevens diende als openbaar toilet.

 

Drinken met de indiaan

“Dit is de enige”, zei de vrouw achter de toonbank. We bestudeerden argwanend het etiket. De rum smaakte inderdaad naar terpentijn, maar we hadden geen keus; het was immers de enige.
De nacht droeg zoveel herinneringen. Alsof hij bang was dat ze hem zouden ontglippen hield de indiaan alleen maar op met praten om te drinken. “Ach, vrienden”, zei hij dan, met mist in zijn ogen; dan zette hij zijn glas weer neer en beleefde opnieuw zijn geschiedenis van eeuwen.

 

Ansichtkaart met palmen

In felgekleurde omslagdoeken paraderen de meisjes langs het strand. Elk draagt iets op het hoofd: een mand met brood, een schaal met fruit, pasteien, sigaretten. Opzij, languit, de vissersboten met hun hemelsblauwe netten.
Ochtend; branding ruist, de palmen wenken.
Daar marcheren kinderen aan, de schoolmeester voorop. Hij blaast op een fluitje, ze houden halt. Hij blaast nog eens, geeft commando’s: spreiden, strekken, buigen, rennen.
Ik kijk het aan, drink koffie, schrijf op de kaart: achter zijn rug doet niemand mee.

© Ben Joosten 2020

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (37)

Nergens dan waar land, lucht en water elkaar raken vind je ruimte die leeg genoeg is om er levens mee te vullen.
Ik zwerf er al zolang ik weet. Stranden, oevers, havens – schimmen najagend, regenbogen, zonsondergangen. De geur van olie, wier en wrakhout. Alles wat bestaat heeft hier zijn oorsprong, vindt hier ook zijn eind; drijft af, spoelt aan, de eeuwige kringloop; de golven die ik liefheb, de wind die zucht van weemoed. En intussen stroomt het water, jagen de wolken, en ik, ik speur er langs de waterlijn, zoekend naar woorden.

door nevelslierten
kiert een schrale zon – flarden
herinnering

het water likt het
natte zand, precies tot waar
de kraaien komen

sporen op het strand
geworpen – maar sporadisch,
als dode vissen

door najaarsstormen
op de brekers stukgesmeten –
mosselschelpen

© Ben Joosten 2020

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Requiem

’s Nachts een stem

“Mama, ik heb gedroomd.”
“Kind, waarom bel je zo laat? Ga slapen.”
“Mama, luister. Zo’n vreemde droom. Ik was bij jou.”
“Bij mij?”
“Dat droomde ik. Dat ik bij jou was. Je lag zo vredig, mama.”
“Vredig? Wat bedoel je?”
“Er waren bloemen, mama. En iedereen zei dat je er zo vredig bij lag.”
“Meisje, wat zeg je nou toch?”
“Mama?”
“Je moet niet zo raar dromen, hoor! Je wordt heus beter.”
“Mama?”
“Ja meisje?”
“Je moet niet huilen, mama.”

 

Requiem

Herinneringen sterven niet.
Niet zij zijn het die uit de lege kamer met het lege bed, met lege ogen worden nagestaard. Niet zij zijn het die in de zwarte auto, stapvoets, om de hoek verdwijnen.
Nee, herinneringen gaan niet dood.
Maar in het donker, als we eenzaam zijn, lenen ze ons hun zoet en wreed gezelschap. Brengen ze troost, tranen, de pijn van het nooit meer, het giftig balsem van hun te nabij en te veraf zijn.
Herinneringen sterven niet.

© Ben Joosten 2020

Geplaatst in Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

My Toyota is fantastic!

1

Wind waait hier zonder ophouden, met wolken stof die soms zo dicht zijn dat het zicht bijna totaal verduisterd wordt. Maar als hij eindelijk gaat liggen daalt er een diepe stilte neer. De horizon verdwijnt in luchtspiegelingen, en in dat toverlandschap wil ook de geest zich wel verliezen in dwaalwegen en illusies. Zie je die berg daar, bijvoorbeeld, die daar in de verte torent als een vesting met geschutspoorten en kantelen? Die berg, zegt men, was ooit het voorwerp van een alomvattende, verzengende rivaliteit tussen twee minnaars. Eén is er nog over – daar, links, die afgeknotte kegel van basalt. Lang geleden verliet hij zijn stenen voet en schoof zo dicht naar zijn geliefde toe als de bodem het hem toeliet. Zo staan ze daar nu nog. Van de verliezer, de afgewezen minnaar, is elk spoor verdwenen. Maar wie hem zoekt vindt hem misschien terug in de miljarden stukken gruis en steenslag op de vlakte van Tanezrouft.
Waarheid of legende? Ook bergen hebben een verborgen zieleleven, waar wij, eenvoudige schepselen, niets van weten. Hoe het ook zij, we waren niet gekomen om naar liefdesverhalen te luisteren, we wilden naar de Assekrem. Zo heten de bergen hier: Assekrem, Aker-Aker, Atakor, Sesker Akh. Namen die schuren als grint. Grote puisten van graniet of basalt, zwart geblakerd door de zon, gezandstraald door de wind van eeuwen. Uitgebrande vulkanen. Hellingen van kiezel en sintels. Je ziet het en denkt: de schepper van dit land moet een reus zijn geweest, of liever nog: een hele klas vol reuzenkinderen, die hun spel beu zijn geworden en hun bouwwerken achteloos neer hebben gesmeten, platgedrukt, schots en scheef door elkaar – dáár wilden ze een kathedraal bouwen maar staat alleen het orgel er nog, pijpen reikend tot in de hemel, dáár liggen de versteende resten van draken en fabeldieren, van knikkers uit een gigantisch knikkerspel, dáár liggen putten, kraters, vlakten vol bik – de echte Schepper kijkt het aan vanuit het zinderend hemelgewelf en lacht om ons gezweet daar beneden, ons nietige gepruts aan auto’s, lekke banden, kokend koelwater.

“Stel, je hebt een lekke radiateur”, zei Ali. Hij droeg een hagelwitte tulband en een even smetteloze sluier die zijn gezicht vrijwel volledig bedekte. Tussen beide stak een zonnebril, pilotenmodel. “Je staat midden in de woestijn. Nergens een garage. Je kunt geen kant op. Wat doe je dan? Ik zal je zeggen wat ik zou doen. Ik zou gaan zoeken naar kamelensporen. Want waar kamelen zijn geweest vind je kamelenmest en dat, beste vriend, helpt tegen alles. Je kneedt er balletjes van, zie je. Dat is het. Dat is de oplossing. Die balletjes druk je plat, en daarmee stop je het lek. Ik garandeer je: je rijdt met die radiateur zonder problemen van hier tot aan Timboektoe.” “Tot aan Timboektoe”, beaamde Moktar. “Laat dat maar aan Ali over. Hij weet de weg.”
Ali was een Touareg uit Timboektoe. We hadden hem ontmoet in Tamanrasset, de meest zuidelijke stad van Algerije. Autopech had ons er laten stranden, iets met de thermostaat, en op een middag, tijdens een wandeling, waren we benaderd door een lange, ietwat bedeesde man. Of we misschien aspirine hadden; hij had kiespijn. Inmiddels, twee dagen later, zaten we in het theehuis boven de Source Tahabort, en bood hij aan, bij wijze van eeuwige dank, ons naar de Assekrem te rijden. We hadden over de berg gelezen. Het uitzicht zou er adembenemend zijn, de zonsopkomsten onvergetelijk. In de jaren voor de eerste wereldoorlog, schreven de reisgidsen, had er op de top een Franse pater gewoond, een zonderling, een heilige; zijn kluizenaarshut stond er nog steeds.
Op de een of andere manier waren we in de weken dat we haar hadden doorkruist langzaam in de ban geraakt van deze wonderlijke wereld. Die overigens alles deed om ons tegen zich in te nemen. De woestijn heeft van zoveel dingen teveel: teveel leegte, teveel hitte, teveel zand ook, overal, tot in je kleren en je slaapzak. Het is alsof ze zich beschermen wil tegen een overmaat aan aandacht. Alleen wie bereid is haar uitgestrekte vlakten op eigen kracht te trotseren, wie in staat is urenlang te zwoegen met spaden en zandplaten om uiteindelijk, als resultaat van al dat harde werken, niet meer dan een tiental meters op te schieten, wie genoegen neemt met lauw water, kleverige dadels en hard geworden brood met meegebakken vlooien als enige leeftocht, alleen die gunt ze tenslotte een blik op haar schatten: de plotselinge schoonheid van een waterpoel in de schaduw van een rotsspleet, de nachten met hun ongekende duisternis en doodse stilte, en niet te vergeten die eindeloze sterrenhemel waar je niet dan met zwijgend ontzag naar op kunt zien.
En nu, in dit theehuis boven de Source Tahabort, speelde op de achtergrond een cassettespeler met bijna lege batterijen jankend een nummer van Boney M. Niemand die er zich aan stoorde. We dronken thee en keken zwijgend naar de kleurige lappen die dienst deden als gordijnen en zachtjes wiegden in de wind. Hun schaduwen bewogen lui mee in de ruimte. Achter de lappen lag, nu eens volledig zichtbaar, dan weer deels bedekt, het voorwereldse landschap van de hoogvlakte. Het was of de woestijn naar ons knipoogde. We hadden het gehaald, alles was goed. Op de voorgrond stond een eenzame berg als een kale puist temidden van een dorre vlakte. Daarachter het gekartelde silhouet van het gebergte. “Pic Laperrine”, zei Moktar, en wees op het pakje sigaretten in zijn hand waarop de puist stond afgebeeld, met een viertal Touareg-krijgers aan zijn voet. Om ons te imponeren vertelde hij een griezelig verhaal over toeristen die met autopech waren gestrand en die van dorst zouden zijn omgekomen als hij ze niet gered had. Ali en Moktar deelden samen een Toyota Landcruiser. Op de achterruit zat een sticker met de reclameleus My Toyota is Fantastic! Op de zijkant stond grootsprakig Hoggar Tours. “We rijden ’s ochtends aan”, zei Ali “en gaan de volgende dag terug. Overnachten doen in we de Refuge, vlak onder de top. Het is donker als we daar aankomen, verder rijden is onmogelijk, er is van daaraf alleen een smal bergpad.”
“Weet je dat er toeristen zijn die in één dag op en neer willen?” vroeg Moktar, met gespeelde verontwaardiging. “In één keer. Heen en terug. Ze zijn gek.” “Wij doen het liever tout doucement”, zei Ali.
“Weet je wat het is met die toeristen”, zei hij, na een volgend kopje thee, “ze zijn onbezonnen. Alles moet maar vlug-vlug. Nu meteen. Zonder voorbereiding. Ze rijden veel te snel, alsof ze thuis zijn. Terwijl ze de weg niet eens kennen. Als ik bijvoorbeeld naar jou toe zou komen, in jouw land. Ik ken er de weg niet. Hoe zou ik? Ik was er nog nooit. Dus tot ik hem ken doe ik het langzaam aan. Misschien twintig, dertig kilometer per uur. Hooguit. Je breekt een as, je raakt zonder benzine. Wat moet je doen? Je kent de weg immers niet. Er kan van alles gebeuren.”
“Van alles,” beaamde Moktar. “Zeker hier. Dit is de Sahara. Hier weet je het nooit.”

2

Nog voor de echte klim begonnen was bestond het pad al voornamelijk uit rotsen en losliggend gesteente. We zaten op de achterbank, naast een missiepater uit Kameroen die een weekje op retraite ging bij de “broertjes van Jezus”, van wie een handvol nog altijd boven op de berg bleek te wonen, ter nagedachtenis aan de oorspronkelijke kluizenaar. Langs wanden van graniet, over afgronden, door kuilen, schuddend, hotsend, krakend op zijn assen, reed de Toyota steeds verder naar boven. In de verte verdween het silhouet van de eenzame berg, die vanaf deze plek gezien lang niet meer zo eenzaam was; andere bergen doemden achter, naast en voor hem op. De weg werd steiler, het uitzicht majestueuzer, en toen we halverwege pauzeerden wees Ali ons op rotsen waar figuren in waren gekerfd: pijlen, krijgers, struisvogels, paarden. Hoe lang geleden? Tweeduizend jaar? Drieduizend? Opzij van het pad lagen de resten van meer recente menselijke aanwezigheid. Ze riepen de vraag op wat wij in ons leven nu eigenlijk meer zijn dan voorbijgangers, reizigers, die komen en weer verdwijnen. Niets blijft dat nog van waarde is, wat rest zijn lege conservenblikken, prehistorische graffiti, het karkas van een Volkswagenbusje. Stille getuigen, door wind en zand gereduceerd tot louter vorm. En overal die leegte. Als er al iets groeide dan had het stekels, die zich door de zolen van je schoenen boorden als messen.
“Hierom”, zei de pater, toen ik hem vroeg waarom hij helemaal uit Kameroen hierheen gekomen was. Hij wees om zich heen. “Zie je de bergen? De woestijn? Zie je hoe leeg en puur alles is? Je ziel zit vol met afval van de wereld. Hier kun je haar legen. Hier is immers niets. Veeg dat huisje van je schoon, zei père de Foucauld, zodat Hij er naar binnen kan.” Daarop bood hij me een stuk droge worst aan.
Een laatste steile klim bracht ons tenslotte bij een paar stenen gebouwtjes binnen een omheining. De Refuge. Op een veldje van keien een paar triest kijkende ezels. Maar ja, zo kijken ezels altijd. Hoog boven ons, zwarte vlek tegen de avondhemel, stond de beroemde kluizenaarshut. Morgen zouden we hem van dichtbij zien. De pater waagde het erop om nu al verder te klimmen, in het donker, ongeduldig als hij was om zijn ziel te legen. Wij gingen naar binnen, waar we soep en linzen aten aan een lange tafel, een kluizenaarsmaal. Onze disgenoten waren van een ander slag, Britten, leden van de Royal Geographical Society. Ze aten met lange tanden en ik hoorde een van hen, een klein, roodhoofdig mannetje, gekleed in kaki tropenkostuum, stilletjes verzuchten: “My God, ik denk niet dat ik nog iets van die thee hoef”.
Het is een wonder om te zien hoe in het avondlicht het landschap zo volkomen van karakter kan veranderen: het harde grijs en bruin van overdag neemt de donzen kleur van abrikozen aan, de bergen blozen als jonge meisjes en zelfs de hemel, zo meedogenloos bij dag, verandert in een sprookjespaviljoen vol kleuren en sterren. Het duurde maar heel even. Binnen maakte Ali thee en Moktar toonde ons zijn schat: verpakt in lagen vloeipapier en plastic zat een fotoalbum. Kijk, zijn ouders. Zijn huis. De kleine Mariam en Saïda. Hij glimlachte vertederd. Toen pakte hij het weer zorgvuldig in, laag na laag; de lichten knipperden, ergens zette iemand de generator uit. De maanloze nacht daalde over ons neer. Het was koud. Rondom ons in de duisternis, de zware, zwijgende aanwezigheid van de berg.

3

De ochtend was nog niet aangebroken toen we, nog maar nauwelijks wakker, langs het smalle pad naar boven klommen. Het licht van de sterren begon al te verbleken, de hemel werd transparant, het was koud genoeg voor wollen truien. Plotseling bevond de berg zich niet meer boven ons maar onder ons, en om ons heen het wijde niets. De oostelijke horizon kleurde van indigo naar violet naar rood, met een rand van saffraan waar bergtoppen als de kromme vingers van een opgeheven hand naar boven wezen. Kleine goud gerande schapenwolkjes zweefden onbeweeglijk boven onze hoofden, alsof ze, net als wij, hun adem inhielden; alleen een groter wordend vlekje in het oosten dat net iets lichter van tint was dan de rest verried waar zo meteen de zon op zou komen.
De top zelf was een plateau vol keien. Aan de rand een kubus van ruwe steen, waar op een plaquette boven de deur gebeiteld stond: “Ermitage de l’ASEKREM du Père de FOUCAULD, 1912 – 1916.” Daaromheen gegroepeerd een handvol andere stenen gebouwtjes. Hier woonden de “broertjes van Jezus”, les petits frères de Jésus, die de nalatenschap van de beroemde kluizenaar in ere hielden. Rondlopend struikelde ik bijna over een van hen, een lange man in een bruine pij; ik liet hem in zijn meditatie en zocht zelf een plekje langs het muurtje aan de rand van het plateau. Er stond een stenen tafel van de Touring Club de France die liet zien welke namen bij de toppen hoorden waartegen nu de zon zijn eerste warme stralen wierp – meer namen van bergen: de Immadouzen, de Tezouaï met zijn dubbele spits, de Tidjamaïne (de “drietand”), de Inferdjan, de Assekenjab. Wat te zeggen van het uitzicht? Bergen tronen boven bergen, omarmen elkaar, verstikken elkaar, het is een doolhof van steen, gestolde dans, ondoordringbaar, onontwarbaar, grillig, grimmig, maar tegelijk van bijna sprookjesachtige schoonheid. Zo woest en zo verlaten. Zo ver het oog reikt bergen, pieken, spitsen, rotspartijen, in het ochtendlicht variërend in kleur van rozerood tot het allerdiepste purper. Dat alles lag daar aan mijn voeten, steen geworden droom. Ik kon er mijn ogen nauwelijks van afhouden.
“Alleen hier in de woestijn ben je werkelijk op jezelf aangewezen”, had de pater uit Kameroen gezegd. “Alleen hier besef je dat je niet meer bent dan een druppel water in de zee.” Maar ik moest ook aan de Perzische mysticus Rumi denken, die schreef: “Je bent geen druppel in de oceaan; je bent de hele oceaan in één druppel.” Spraken die twee elkaar nu tegen, of zeiden ze eigenlijk allebei hetzelfde? Een druppel in de oceaan – een zandkorrel in de woestijn – een stuk steen op een berg. En langzaam ving die berg het licht van de zon. Een nieuwe dag stond op het punt van beginnen, een nieuwe dag in een zee van tijd.

4

Ali en Moktar sliepen nog en vonden het helemaal niet erg dat we liever te voet naar beneden wilden gaan. Ze zouden ons later, aan de voet van de berg wel weer oppikken. De uitbater van de Refuge bood daarna omstandig zijn excuses aan voor de wolken die de opkomst van de zon hadden ontsierd, alsof hij er zich persoonlijk voor verantwoordelijk hield. En ook al zeiden we dat het niet gaf, dat het juist wel pittoresk was, zo met die wolken, die trouwens ook maar klein waren, hij bleef aandringen. “Weet u wel hoe mooi het op een wolkeloze ochtend is, nee, natuurlijk niet.” Hij schonk ons koffie in en aan dezelfde lange tafel waar we gisteren dineerden ontbeten we met vers gebakken brood en vruchtengelei.
Was het om het afscheid van de berg nog wat te rekken dat we zonder onze chauffeurs aan de afdaling begonnen? Nog wat langer te genieten van die wilde verlatenheid, dat bizarre labyrint van steen, alleen te zijn temidden van de leegte? In plaats van de haarspeldbochten van de weg te volgen sneden we ze af via smalle, nauwelijks zichtbare paadjes, sprongen als geiten van rots naar rots, langs scheuren en gaten waaruit soms doornige plantjes groeiden, de ochtend was nog jong, zelfs bijna fris, straks zou de hitte weer ondraaglijk zijn maar nu en op deze hoogte nog niet; ik dacht nog altijd aan de waterdruppel en de zee en plotseling schoot me een dichtregel van William Blake te binnen: “de wereld zien in een korrel zand”; ik herinnerde me een andere berg die ik jaren daarvoor had beklommen in Schotland, ook een voormalige vulkaan net als deze, maar dan met dicht beboste hellingen en nauwe ravijnen, waar kristalheldere beekjes omlaag stroomden en je vanaf de top de zee kon zien, ver weg – althans totdat de mist opkwam – en ’s avonds in de pub luisterden we naar spookverhalen, reciteerden gedichten en zongen liederen, niet over bergen, maar over whisky en bier. Hoe lang zou het geleden zijn, dacht ik, dat over deze bodem vloeibare lava stroomde? En wat had de berg sindsdien allemaal zien komen en gaan? Tropische wouden, grazige weiden, meren, moerassen, rivieren, mensen die op rotsen tekenden. Nu waren alleen de Touareg er nog, met hun leren tenten, hun Toyota’s en hun gezichtssluiers, en hun thee die ze zo bitter zetten dat alleen heel veel suiker hem drinkbaar maakt.
To see the world in a grain of sand / And Heaven in a wild flower / Hold infinity in your hand / And eternity in an hour.
Een berg afdalen is iets anders dan hem beklimmen. Het is niet alleen het perspectief, dat niet langer omhoog is gericht maar naar beneden; er is meer. Iets van ons is op de berg gebleven, iets anders heeft de berg ons meegegeven. De berg is nog steeds de berg, wij zijn nog steeds onszelf, maar we hebben op de top gestaan! We hebben op de wereld neergezien! Ik had daarboven op dezelfde plaats gestaan waar, in de woorden van onze reisgenoot uit Kameroen, de kluizenaar zijn huisje had schoongeveegd. Zou ik zo kunnen leven, alleen op mijn rots, met alleen mezelf als gezelschap? Nee, ik leek maar geen afscheid te kunnen nemen van deze berg.
We waren nog niet lang op de afgesproken plaats toen Ali en Moktar ons, klaarwakker en vrolijk gebarend, achterop kwamen. Het was nog zeker een uur rijden naar Tamanrasset. Halverwege troffen we twee Duitsers in een blauwe Peugeot, beteuterd kijkend naar een scheur in hun oliecarter. “Kamelenmest!”, riepen we de onfortuinlijke gestranden toe. “Van hier tot aan Timboektoe!” En juist op dat moment kwam er een rij Toyota Landcruisers langs, luid toeterend. Er was ergens beneden een buslading toeristen gearriveerd, en die wilden nu allemaal de berg op. “My Toyota Is Fantastic” stond schreeuwerig op de achterruit geschreven. We keken elkaar meewarig aan. “In één keer op en neer. Ze zijn gek.”

 

© 2019 Ben Joosten

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Haiku (36)

Toen de zon tenslotte doorbrak was het door een floers van sluierwolken. Het was het einde van de middag, de dag was grauw geweest, een koude herfstdag. Toen brak ineens het wolkendek en een warme zon vertoonde zich, ondanks, of misschien juist dankzij die sluier op zijn mooist: het was alsof een fijne nevel die bestond uit louter zonlicht zich over de hemelboog verspreidde en de stad liet baden in een sprookjesachtig schijnsel.
Ik wilde iets schrijven over die gouden gloed en hoe die zo prachtig contrasteerde met de koude wereld hier beneden, de auto’s met hun rusteloze rijden van hier naar daar, de ijdele bedrijvigheid van het menselijk streven. Iets moois en verhevens wilde ik schrijven, iets wat misschien een tipje op zou lichten van het raadsel van het bestaan. Maar uiteindelijk kwam het toch weer neer op het oude liedje.

omnevelde zon –
ik heb zin deze herfstdag
dronken te worden

monochrome dag –
naast een plas, na de regen,
een reiger, roerloos

weer geurt de herfst naar
vocht en rotting, stervenskou,
en langzaam kwijnen

aankruipend duister –
achter kreupelhout gloeit
donkerrood de avond

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (35)

De wilde wingerd draagt vrucht. Ze weten het. Als een klas schoolkinderen komen ze aan, uit het niets, kibbelend, kwetterend, fladderend, vol sproeten, spreeuwen. De regen deert hen niet, zoals ook kinderen zich niet laten belemmeren door regen, waterplassen; het is het spel dat telt, en verder niets. Alleen mijn venster merkt het hemelwater en door de sporen van zijn tranen zie ik de bessen van de wingerd, als kogeltjes zo rond, verdwijnen in de snavels van de uitgelaten zwerm.
En dan zijn ze weg. Even plotseling en lawaaiig als ze kwamen gaan ze weer, langs de vlinderstruik, de twee beuken, nog éénmaal terug en dan voorgoed, de grijze hemel in. Mij, aan mijn huilend venster, resten de leeg gevreten ranken, het vuurrode blad, het uitzicht op een herfsttuin in de regen.

ochtenddauw parelt
op herfstdraden – ons afscheid
viel zelden zo zwaar

vlammend rood verstopt
achter een woud van webben:
de wilde wingerd

in avondschemer
tussen herfstblad verstoken
schaamrood van appels

avondgrauwen –
een huivering trekt over
het web van de spin

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Gumbo (3) Een Bambara prins in New Orleans

Het heeft geregend, met gerommel van donder; nu ligt hij in zijn bed en luistert naar het nachtelijk concert van de brulkikkers, de nachtzwaluwen, de duizenden insecten. Maar onder al dat vertrouwde krassen, krijsen en zoemen, dat wok-wok-wok en wipperdiewil klinkt, net op de drempel van zijn gehoor, een dof, zuigend stampen dat hem al weken wakker houdt: het is als moddervoeten op een planken vloer. Hij weet wat het is, het zijn de voetstappen van de tijd. Ze komen dichterbij; straks halen ze hem in.
Binnen in hem woedt een ziekte die zijn bloeddruk opjaagt en zijn nieren opblaast tot ze pijn doen. Hij neemt kruidenbaden; ze helpen niet. Soms, als hij uit een diepe slaap wakker schiet, lijkt het of hij ergens anders is; dan hoort hij de geluiden uit een verre tijd, echo’s van zijn dromen: het stampen van het graan in de vijzel, de liedjes van zijn moeder, het zoemen van de snaren van de ngoni. Het is al zo lang geleden dat hij de beelden niet meer heeft, alleen de geluiden zijn er nog.
Zouden ze nog leven, denkt hij. Zouden de mannen nog steeds dansen op het ritme van de jagersharp? Hij weet niet dat de laatste Bambara-koning in gevangenschap geëxecuteerd is en dat er nu een Toucouleur in Segou op de troon zit. Maar ook over diens lot is al beslist, ook dat weet hij niet: hoe in Berlijn de nieuwe wereldheersers lijnen op de kaart van Afrika hebben getrokken en het land van zijn voorouders hebben toegewezen aan de Fransen, datzelfde volk dat ooit deze stad aan de Mississippi heeft gesticht: New Orleans.
Het is 1885. In New York is zojuist het schip aangekomen met aan boord het Vrijheidsbeeld. In Aben, Louisiana wordt Joseph Nathan Oliver geboren, die onder de naam King Oliver de geschiedenis zal ingaan als de vader van de New Orleans jazz. En in die stad, New Orleans, op een hete augustusnacht, ligt Jean Montanet op sterven, de man die iedereen kent als dr. John, de laatste der voodoos.

Als we Lafcadio Hearn moeten geloven – en we zullen wel moeten, hij is nu eenmaal onze enige bron – waren Jean Montanets laatste jaren een aaneenschakeling van schulden en geldgebrek. De man die als een vorst geleefd had, die niet wist wat hij met zijn geld aan moest en het dus maar als een godfather uitleende aan wie er maar om vroeg, die feestmalen liet aanrichten onder de armen met schalen vol gumbo en jambalaya 1), die man had op het eind van zijn leven geen stuiver meer. Geen eigen huis, geen geld, helemaal niets.
Zijn geluk schijnt hem definitief in de steek te hebben gelaten toen hij, oude dwaze man, per se lezen en schrijven wilde leren. Zijn leermeester, die hem “bij wijze van oefening” zijn naam onder een stuk blanco papier liet zetten, had andere plannen – na die dag was het perceel aan Bayou Road en Prieur Street plotseling van eigenaar gewisseld. De loterij deed de rest. Zoveel mensen hadden zijn adviezen opgevolgd en hadden kleine en grote fortuinen gewonnen; zelf kocht hij nu lot na lot maar won nooit iets. Hij die ooit een Bambara prins was, was nu alles kwijt. Een bedelaar. Zijn laatste bezit was een bed in het huis van zijn dochter Alicia.
“Vaak, op een heldere nacht,” schrijft Hearn, “zagen de buren hem in zijn eentje op een straathoek staan, naar het uitspansel starend, plukkend aan zijn wollige baard, terwijl hij in een onbekende taal tegen een onzichtbare aanwezigheid sprak. Als hij weer eens zo’n bui had wisten ze wel hoe laat het was, en dat hij de volgende dag zou proberen van deze of gene in de buurt een paar dollar te lenen.”

“Type Bambara”, 1885

Het moet het toeval zijn geweest, en wat voor een merkwaardig toeval. Net in de tijd dat Frankrijk de slavernij afschafte om hem daarna toch maar weer opnieuw in te voeren, en Engeland op zijn beurt de slavenhandel illegaal verklaarde en zelfs de Afrikaanse kust blokkeerde om te verhinderen dat er nog slavenschepen zouden vertrekken; juist op dat moment waarop de handel in het “levend ebbenhout” ten dode opgeschreven leek, waren het uitgerekend de Spanjaarden die er doodleuk en vol enthousiasme mee begonnen. Eeuwenlang had de Spaanse kroon contracten – asientos – uitgegeven om de Spaanse koloniën van slaven te voorzien. Het contract ging naar de hoogste bieder, of het nu Portugezen, Genuezen, Hollanders of Engelsen waren, zolang ze maar tegen de vastgestelde prijs het vastgestelde aantal slaven leverden. Geen Spanjaard die er zelf zijn handen aan brandde.
Maar plotseling behaagde het zijne Majesteit de Spaanse koning om het staatsmonopolie op te heffen en de handel vrij te geven. Plotseling ook had Cuba, tijdenlang goed voor hooguit wat scheepsladingen tabak per jaar, duizenden slaven nodig. Haïti, het koninkrijk van de suiker, was sinds de revolutie voor de handel verloren, en overal in het Caraïbisch gebied schoten daarom de nieuwe suikerplantages uit de grond. Zo ontdekte ook Cuba het zoete goud. Om aan de vraag te voldoen werden in Cadiz in allerijl handelsfirma’s opgericht, op de werven van Barcelona rolden brigantijnen, schoeners en fregatten bij tientallen van de scheepshellingen. Tussen 1790 en 1819, vermeldt het Archivo General de las Indias in Sevilla, vervijfvoudigde het aantal ingevoerde slaven in de haven van Havanna. In 1817 waren het er bijna 26.000, aangevoerd in 81 schepen. Tweeënveertig procent van hen, want ook dat is gearchiveerd, was minderjarig: 11.233 jongens en meisjes tussen zeven en zeventien jaar oud. 2)
Het zal hetzelfde toeval zijn geweest dat wil dat in diezelfde tijd het achterland van Senegal in staat van anarchie verkeert. De oorlogstrom klinkt overal: bij de Bambara van Kaärta die ten strijde trekken tegen de Toucouleur van Fouta Toro, tegen de Diawara, tegen Bambouk; bij de Peul van Cheikou Ahmadou die oorlog voeren tegen de Peul van Macina; en niet te vergeten bij de Bambara van Segou die een broederstrijd uitvechten met de Bambara van Kaärta. Binnenkort zal een jonge onderwijzer uit Fouta Toro, net terug uit Mekka, de jihad uitroepen en over de savanne razen als een storm waarbij vergeleken déze oorlogen nog maar briesjes zijn. Maar nu nog niet, nu zwerven er Moren en Marka-handelaren rond die krijgsgevangenen kopen van de strijdende partijen, en als ze de kans krijgen links en rechts in de chaos wat kinderen roven, want die bieden maar weinig weerstand en leveren toch geld op. Het is aan moslims weliswaar verboden om mede moslims tot slaaf te maken, maar een heidense Bambara, dat is wat anders… Iedereen weet immers dat de Bambara fetisjisten zijn, afgodendienaars; betekent hun naam niet “zij die weigeren zich te onderwerpen”?
En zo zal het zijn gekomen dat een jonge Bambara-prins ergens op de savanne tegen zijn wil gevangen genomen wordt, geketend meegevoerd in een karavaan, in een haven ergens aan de kust verkocht wordt, en tenslotte een van die tweeënveertig procent is die in Havanna aan wal gaat, in een nieuwe wereld, ver van alles wat hij kent en wat hem lief is.

Afgezien van al dat oorlogvoeren is er op het eerste gezicht sindsdien niet veel veranderd in de West Afrikaanse savanne, vermoed ik. Dit schreef ik vijfentwintig jaar geleden, tijdens een treinreis van Bamako naar Dakar, over het uitzicht uit mijn coupéraam: “Landschap met rode rotsen als in spaghettiwesterns. Dorpjes met huizen van leem maken plaats voor rieten hutten. Koopwaar: bananen, pinda’s, glazen thee. Plotseling: witte duiven die opvliegen. Een rivier bij Mahina in een vlak land vol bomen en stukken geblakerd grasland. Geiten. Kinderen zwaaien de trein na. Wasgoed droogt op hooimijten.”
In een van die slaperige, hete Sahel-stadjes, jaren eerder en ook wat verder naar het oosten, maar verder in niets verschillend van de stadjes in Bambaraland, toen en nu, bevond ik mij op een dag midden op de markt, in een doolhof van kramen en kraampjes. Onder een laag strooien afdak zat een oude man temidden van een schijnbaar ongesorteerde hoop bric a brac: kippepoten, geitestaarten, slangenhuiden, bultige leren zakjes met onduidelijke inhoud, vreemde kluwens wollen draad en andere curieuze voorwerpen, waaronder een verzameling oude koloniale munten. Helaas sprak de man alleen Haussa, en ook een jongetje dat bij ons kwam staan en wel Frans sprak kon me niets wijzer maken over wat daar allemaal uitgestald lag.
Dat was het dus. Gris-gris. Daar lagen ze. Sindsdien zag ik ze overal. Iedereen had wel iets om zijn hals hangen, om zijn arm gebonden of ergens op of in zijn kleren genaaid. Nu ik dit schrijf vermoed ik dat Jean Montanet zich er weer onmiddellijk thuis zou hebben gevoeld. Niets veranderd, al is de muziek tegenwoordig elektrisch en rijden de krijgers niet langer te paard maar in luidruchtig ronkende toyota’s. Zelfs de jihadi’s zijn inmiddels weer helemaal terug, met alle gevolgen van dien. En op winkelpuien van Bamako tot Bobo Dioulasso prijkt hier en daar in grote letters de naam Coulibaly – de naam van het oude koningsgeslacht van Segou.

I got medicine to cure all your ills – reclamebord in Bobo Dioulasso

Was Jean Montanet een Coulibaly? Of was hij een afstammeling van de usurpator Ngola Diarra? Of misschien een Massasi van Kaärta? We weten er niets van. Dat komt wellicht omdat in de negentiende eeuw, toen zijn verhaal door Lafcadio Hearn werd opgetekend, er nog bijna niemand was die iets wist over de koninklijke dynastieën van West Afrika of er zelfs maar belangstelling voor had. Een Bambara prins in New Orleans – zo had je na de oktoberrevolutie de kans om in Parijs of Londen in een taxi te stappen met een lid van de Russische adel achter het stuur. Een romantisch idee, maar je wil toch op de eerste plaats op tijd op je bestemming zijn.

Op een hete nacht in augustus 1885, met de geur van regen in de lucht, ligt in New Orleans een man op sterven.
Waaraan denkt hij? Waarvan droomt hij? Een paar jaar eerder, weten we, tijdens de gele koorts epidemie die vierduizend inwoners van de stad fataal werd, werden twee van Jean Montanets kinderen ook door de ziekte getroffen. Hearn tekent het verhaal op uit de mond van een ooggetuige. “Ik heb dan misschien geen geld”, zou de doctor hebben gezegd, “maar ik kan mijn kinderen genezen”. Hij plukte wat kruiden uit de goot; geen mumbo-jumbo, geen geheimzinnigheid, gewoon een handje kruiden. De volgende dag, aldus de getuige, speelden de kinderen weer op straat.
Zijn kinderen kon hij genezen, maar voor hemzelf is het te laat. Denkt hij daaraan, of is hij het denken moe?
Morgen zal zijn dochter aangifte doen van zijn dood. Op zijn akte van overlijden zal staan dat John Montancé (sic), geboren in Afrika, is gestorven aan de ziekte van Bright, op 23 augustus 1885.
Er komt geen overlijdensbericht in de krant.

 

1) Gumbo is een gerecht uit de traditionele keuken van New Orleans; een dikke soep die wordt gebonden met de vrucht van de plant die in het Nederlands okra heet (abelmoschus esculentus) en in Afrika gombo. Een variant is de Surinaamse okersoep (okrosupu), in 1973 bezongen door Lieve Hugo, King of Kaseko.
Jambalaya, in de popmuziek vereeuwigd door Hank Williams, is een rijstgerecht dat tot dezelfde culinaire familie behoort als de paella, de pilav en de risotto. In West Afrika komen we het tegen onder de naam jollof rice of riz senegalais, een zeer geliefde lekkernij, terwijl ze in Suriname moksi aleysi kennen, een variant die met kokosmelk wordt bereid.

2) Herbert S. Klein, The Cuban Slave Trade in a Period of Transition, 1790-1843. In: Outre-Mers, Revue d’Histoire, année 1975, no. 226-227.

 

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , | 1 reactie

Gumbo (2) Zwevend tussen de werelden

Daar!
Daar, op dat stuk drassig land tussen de Mississippi en Lake Pontchartrain, die grond die doorsneden wordt door bayous, geschiedenis geworden moerasslijk, daar: de stad die ze The Big Easy noemen, New Orleans. Geboortegrond van jazz en funk, van meer muzikanten dan welke stad ter wereld ook, geboortegrond ook (bij adoptie) van de eerste dr. John, Voodoo John: John Montane – of was het Jean Montanet?
In die stad meerde hij aan. Spaans onderdaan, stond er in zijn paspoort, emancipado. Hij had de halve wereld gezien, tientallen havens aangedaan, en uitgerekend daar, in New Orleans en nergens anders, ging hij aan land. Jean Montanet, vrijgelaten slaaf, werd John Montane (Montanee), free man of color. Amerikaan.
En dan gebeurt het. In het havenkwartier met zijn wirwar van loodsen, pakhuizen, werkplaatsen, vindt hij een baan als katoenwalser. De balen katoen staan er hoog opgetast, klaar om te worden verwerkt in de walsmachine. Ze zijn gemerkt met krijt. Cijfers, letters. En hij, die zwarte, die gedroste matroos, Afrikaan, Spanjool, wat is-ie eigenlijk, die nieuwe, die de wals bedient, die niet eens kan lezen of schrijven – hij bestudeert die krijttekens, heel ernstig, en zegt tegen de voorman: het gaat een jongen worden. Absoluut. Wanneer? Het zou me niks verbazen als het er al op vrijdag is.
En het is er op vrijdag! Niemand weet hoe hij het doet, maar al zijn voorspellingen kloppen, het kind is een jongen, het lot gekocht op die-en-die dag valt in de prijzen, het meisje zegt “ja, ik wil wel met je uit.”
Het woord gaat rond, die zegt dit, die zegt dat, en daarmee begint de legende van Doctor John. Die zoveel cliënten krijgt, zoveel mensen die hun toekomst willen weten, blanken zelfs, gezeten burgers, mensen met geld, dat hij zijn baan eraan geeft en met zijn waarzeggerij (en voor je het weet komen er kruiden bij, drankjes, pillen, poeders) genoeg dollars verdient om een huis en een stuk grond te kunnen kopen. En daar te leven als een vorst. Zegt hij niet dat hij ginds, in Afrika, een prins was geweest?

De meeste verhalen over Jean Montanet danken we aan een artikel dat in november 1885 – drie maanden na zijn dood – verscheen in het tijdschrift Harper’s Weekly. 1) Het was van de hand van een zekere Lafcadio Hearn, nog zo iemand over wiens leven een lijvige negentiende-eeuwse avonturenroman geschreven zou kunnen worden (google hem!).
The Last of the Voudoos, heet dat artikel – “niet omdat dat merkwaardige genootschap waartoe hij behoorde met zijn dood heeft opgehouden te bestaan”, aldus Hearn,

“maar omdat hij de laatste werkelijk belangrijke figuur was in een lange rij van Afrikaanse tovenaars en heksen wier aanspraken en gezag werden erkend door de zwarte bevolking. Ongetwijfeld zullen duistere occultisten nog jarenlang doorgaan hun “queens” en hogepriesters te kiezen, maar onder invloed van het openbaar onderwijs is het geloof in hekserij langzaam maar zeker aan het verdwijnen, en geen enkele zwarte hiërofant zal het nog lukken met zijn mystieke kennis zoveel respect af te dwingen als waartoe Voudoo John in staat is geweest.”

Het is, achteraf, de vraag of het optimisme van Lafcadio Hearn wel gerechtvaardigd was. Openbaar onderwijs of niet, mojo’s, gris-gris en andere tovermiddelen worden nog altijd verkocht in New Orleans; en er zijn zelfs websites die vertellen hoe de geest van de doctor op te roepen – benodigdheden zijn onder andere: aarde afkomstig van het kerkhof van St. Roche, water uit de bayou St. John, de wortels van de “hoge” en de “lage” john the conqueror (resp. de ipomoea purga en de trillium grandiflorum). Wel wordt de aspirant geestenbezweerder gewaarschuwd: “vraag dr. John niet meteen om gunsten. Begin met een eenvoudige offerande en probeer zo contact te maken. Maakt hij zijn aanwezigheid kenbaar dmv dromen, visioenen of fysieke verschijningen, dan is de tijd rijp om hem om gunsten te vragen.” 2)
Zijn dat nou alleen maar verzinsels, is het folklore, zoals ook het gerucht – Hearn schrijft erover – als zou een deel van Montanets rijkdommen nog altijd op dat stuk land aan Bayou Road en Prieur Street begraven liggen? Maar toch: 10 miljoen zoekresultaten voor “New Orleans voodoo” – en dan zeggen dat wij in verlichte tijden leven!

Amulet met handtekening van Jean Montanee

Terug naar de feiten.
Lafcadio Hearn schrijft in zijn artikel dat John Montane bij zijn overlijden, 23 augustus 1885, honderd jaar oud was. Het is onduidelijk hoe hij bij die leeftijd komt, misschien maakte het deel uit van de legende, maar waarschijnlijker is dat de doctor in werkelijkheid zo’n vijftien jaar jonger was. Volgens de gegevens van de volkstelling van 1880, begin deze eeuw opgediept door Carolyn Morrow Long, was de “indian doctor” genaamd John Montane, woonachtig op 232 Prieur Street, New Orleans, op dat moment 79 jaar. 3) Hij zou dus omstreeks 1800 of 1801 geboren zijn. Dezelfde gegevens maken melding van een echtgenote, genaamd Armantine, en vijf kinderen.
Twintig jaar eerder, bij de volkstelling van 1860, was er nog sprake geweest van een zekere Mathilde, en maar liefst zeven kinderen. In dat jaar had de ijverige ambtenaar bij de vermelding van het beroep (“physician”) het niet kunnen laten om tussen haakjes als commentaar “kwakzalver” toe te voegen. Wat er tussen 1860 en 1880 met Mathilde en haar zeven kinderen is gebeurd zal overigens wel altijd een raadsel blijven.
De vroegste vermelding van de doctor is te vinden in de gegevens van de volkstelling van 1850; daar komt hij voor onder de naam Jean Montanet en is hij de eigenaar van het fameuze koffiehuis (zoals bij ons tegenwoordig was “coffeehouse” in het New Orleans van de negentiende eeuw een eufemisme voor iets anders – in dit geval een bordeel) waarin hij later wegens illegale voodoopraktijken zou worden gearresteerd samen met Mac Rebennacks betovergrootvader, zoals in de eerste aflevering van dit meerluik te lezen viel.

Eerdere schriftelijke getuigen van Jean Montanets bestaan zijn niet voorhanden. Of er moest in de slavenregisters van Cuba iets te vinden zijn – Lafcadio Hearn vertelt hoe hij vanuit “een of andere Spaanse haven” naar dat eiland verscheept werd (maar niet wanneer dat was), en dat zijn eigenaar, bij wie hij in dienst kwam als kok, hem uiteindelijk zijn vrijheid schonk. Iets wat trouwens in de Spaanse koloniën (in tegenstelling tot de VS) helemaal niet ongewoon was. Vaak kreeg de vrijgelaten slaaf bij zo’n gelegenheid de achternaam van zijn gewezen meester, en het lijkt erop dat zoiets hier ook het geval is geweest: een eenvoudige zoekopdracht op google leert tenminste dat er nog altijd Cubanen op het eiland rondlopen met de naam Montanet; een van hun voorouders zal de man zijn geweest die de man die wij kennen als dr. John zijn vrijheid en zijn naam gaf.

Twee kwesties vragen nog om opheldering.
Om met de eerste te beginnen: wat gebeurde er tussen Jean Montanets vrijlating in Cuba en zijn aankomst in New Orleans? Hearn schrijft dat hij scheepskok werd op “een of ander Spaans schip”. Ook dat blijkt helemaal niet ongewoon te zijn geweest; er zijn studies over zeelieden in de 18e en 19e eeuw waaruit blijkt dat een groot deel van hen zwart was – in de VS rond 1800 zo’n 17 procent, oplopend tot meer dan een kwart. De meeste van hen waren bovendien vrije zwarten. De beroemdste was Olaudah Equiano, een door de Britten gevangen genomen Igbo (uit het huidige Nigeria) die lezen en schrijven leerde, met verdiensten uit privé-handeltjes zichzelf vrij wist te kopen (voor de som van 40 Engelse ponden), en een boek over zijn leven schreef dat een bestseller werd, rivaliserend in populariteit met Robinson Crusoe. Een andere vrije zwarte, met de prachtige Melvilleaanse naam Absalom Boston, schopte het tot kapitein van een walvisvaarder (!).
Het was natuurlijk maar een minderheid die kapitein werd – de functie aan boord die het meest door vrije zwarten werd bekleed, leren we uit die studies, was die van scheepskok. De zwarte scheepskok groeide zelfs uit tot een nieuw stereotype.

ill. Thomas McLean, 10 Feb 1831, National Maritime Museum, Greenwich, London, https://collections.rmg.co.uk/collections/objects/127866.html pw3731

Wat, vraag ik mij af, bewoog deze mensen om te gaan varen? Waarom gaan zij scheep, matroos, kok, kapitein? Waarom trotseren zij scheurbuik en schipbreuk, waarom, waarvoor – wanneer het niet om vrijheid is? Waarom vlucht de slaaf van zijn plantage, ontsnapt naar de kust, vindt een haven en een schip en een kapitein? Die hem meeneemt de wereld in, de vrijheid tegemoet! Ze varen naar Haïti en keren terug met nieuwe papieren: Haïtiaans staatsburger – vrij man!
Dat doet de zee; ze neemt, maar ze geeft ook.
De zee is vrij, het land stelt wetten. De Negro Seaman’s Laws maken het vanaf de jaren 1820 aan zwarte zeelieden vrijwel onmogelijk om in de zuidelijke staten van de VS van boord te gaan, tenzij om te worden gevangen gezet. Want zo beducht zijn ze daar sinds de Haïtiaanse revolutie geworden voor vrije zwarten, die tegennatuurlijke, onmogelijke wezens: zwarten die geen slaaf zijn! Terecht begrijpen ze dat het loutere bestaan van deze mensen het instituut van slavernij ondermijnt.
Jean Montanet, vrij man, scheepskok, Afrikaan, die de zeven zeeën heeft bevaren en inmiddels zijn talen spreekt, is niet bang. Hij gaat aan wal in New Orleans, wet of geen wet. Hij zou niet mogen bestaan? Maar hij bestáát! De zee, heeft hij geleerd, maakt geen onderscheid tussen wit of zwart; voilà! Is hij geen Bambara prins uit Senegal? Dit lees ik in een boek dat een reizende tentoonstelling begeleidde van The Mariners’ Museum in Newport News, Virginia: 4)

“Voor de Bambara in Senegambia (…) kwam iemands ziel of levenskracht na zijn dood onder de hoede van Faro, een androgyne watergeest. Verkwikt en gezuiverd in zijn verblijf onder water zou de ziel dan opnieuw verschijnen in het eerstgeboren nieuwe lid van de familie.”

Jean Montanets ziel hoeft niet te wachten op zijn lijflijke wedergeboorte. Als schepeling zwevend tussen de wereld onder en boven water, de wereld van zij-die-leven en zij-die-dood zijn, kippen plukkend in zijn kombuis, voedt de kok zich met de geestkracht van zijn Bambara-voorouders en zal uiteindelijk, verkwikt, gezuiverd, herboren, opduiken in wat zijn laatste woonplaats wordt: New Orleans. De prins, gewezen slaaf, ex-matroos, wordt een nieuwe mens: waarzegger, bordeelhouder, wonderdokter, weldoener.

Er rest nu nog één vraag: hoe zit het dan precies met die Bambaraprins? Wie was Jean Montanet voordat hij slaaf werd? Kunnen we daar achter komen? Meer daarover in deel drie.

1) Lafcadio Hearn, The last of the Voudoos. In: An American Miscellany, vol. 2, 1924; oorspr. Harper’s Weekly, November 7th, 1885.

2) Denise M. Alvarado, Dr. John Montanee: Father of New Orleans Voudou. Zie http://www.conjuredoctors.com/dr-john-montanee.html#

3) Carolyn Morrow Long, Spiritual Merchants: Religion, Magic, and Commerce. University of Tennessee Press, 2001

4) W. Jeffrey Bolster, Black Sailors Making Selves. In: Captive Passage: The Transatlantic Slave Trade and the Making of the Americas. Smithsonian Institution Press, 2002.

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Gumbo – in memoriam dr. John

Ze noemden hem dr. John, net als in het lied van die andere dr. John, naast nog een heleboel andere namen: Voudoo John, Bayou John, Jean Grisgris, Jean La Ficelle (Jan Touwtje). Hij had klanten die van heinde en ver kwamen, ook al net als in het lied, om zijn medicijnen te kopen, zijn kruidenmengsels, zalven, spreuken, buideltjes met amuletten, gris-gris
Bij de burgerlijke stand was hij bekend onder de naam Jean of John Montane of Montanet, een free man of color.
New Orleans lag in die tijd, zoals nu nog, met zijn gezicht naar de rivier; maar anders dan nu strekte zich achter zijn brede, vlezige rug een dichtbegroeide jungle uit van kreupelhout, moerasland en bayou’s. Hier ritselde de lucht van de geheimen, nachtelijke samenzweringen, spoken, zombies. Hier groeiden de kruiden en de john the conqueror-wortels die, verzameld en gedroogd en in linnen zakjes genaaid, de gokkers geluk moesten brengen bij het pokerspel of de matrozen van de Mississippiboten helpen bij hun liefdesavonturen in Smokey Row of in het huis van Madame LeSoleilLevant aan St. Louis Street. Het waren zaken waar de eerzame burgerij niets van wist (of wilde weten), maar hun zwarte slaven des te meer; die verzamelden zich ’s nachts langs de oevers van de Bayou St. John waar Marie Laveau, ook zij een vrije zwarte vrouw, haar voodoo-rituelen uitvoerde; voor even daalde dan moeder Afrika neer over haar ontheemde kinderen.
Aan de rand van de stad, op een braakliggend perceel aan Bayou Road en Prieur Street, bouwde Jean Montanet zijn huis. Hij woonde er, naar zeggen, met vijftien vrouwen en een veelvoud aan kinderen. Hij reed in een koets met twee paarden, had een volbloed rijpaard met Mexicaans zadel en dronk geen wijn die goedkoper was dan een dollar per liter. Zijn cliënten ontving hij in een eenvoudige spreekkamer waarin alleen een tafel, een stoel, een prent van de Heilige Maagd en een olifantslagtand. De toekomst voorspelde hij met schelpen uit Afrika en een pak kaarten waarin een gaatje was gebrand.

Het was naar deze dr. John dat Mac Rebennack zijn beroemd geworden podiumpersonage modelleerde. Getooid met veren boa’s en andere parafernalia, met veelkleurige schmink en glitter op zijn wangen, als de extatische carnavalsversie van een voodoopriester; een nieuwe en briljante variatie op de stageact van R&B zanger Screamin’ Jay Hawkins, de man die I put a spell on you zong met een microfoon in zijn ene, en een menselijke schedel in zijn andere hand.
Hij had er al een tijd mee rondgelopen, vertelde hij in 1990 aan Stanley Moss van Bomb Magazine, met het idee om iets te doen met de rijke geschiedenis van New Orleans, misschien wel een album; en toen kreeg hij een kranteknipsel onder ogen waarin stond dat zijn betover-over-grootvader, Wayne Rebennack, zo ergens rond 1860 was gearresteerd samen met een zekere John Montane, alias dr. John – wegens het uitoefenen van voodoo-praktijken in een illegaal bordeel.
Zie het voor je. De Rebennacks waren immigranten uit de Franse Elzas, vroeg in de negentiende eeuw aangespoeld in het beloofde land: New Orleans. Ze hadden geld, misschien niet veel, begonnen een kruidenierszaak aan Bayou Road, dezelfde weg waar even verderop dr. John, Bayou John, zijn praktijk had. Het moederland was in de greep gekomen van de revolutie, met wonderlijke denkbeelden over vrijheid en mensenrechten en de afschaffing van de slavernij. Allemaal zaken waar de elite van de stad, de oude creoolse families met een stamboom zo lang als hun arm maar de ook de meer recent gearriveerde Engels sprekende plantagehouders uit het Amerikaanse zuiden, van huiverden.
Die wisten nog van de verijdelde slavenopstanden bij Point Coupée, en ze hadden met eigen ogen de honderd afgehakte hoofden gezien die waren tentoongesteld vanaf de Place d’Armes, herdoopt in Jackson Square, helemaal langs de River Road tot aan de plantage van Manuel Andry in St. Jean-Baptist, aan wat door de plaatselijke bevolking de Côte des Allemands werd genoemd, naar een oude Duitse nederzetting uit de 18e eeuw. Honderd hoofden van geëxecuteerde opstandelingen, uitgestald als waarschuwing voor iedereen die het maar in zijn hoofd zou halen om zich te beroepen op Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. 1811, destijds niet eens zó lang geleden.
En dan begint zo’n kleine middenstander uit de Elzas samen te werken met een vrije zwarte wonderdokter annex bordeelhouder, die volgens de volkstelling uit 1860 meer dan twaalfduizend dollar op zijn naam had staan… Er is misschien wel wat verbeelding nodig om het voor je te zien.

De Verenigde Staten heten een egalitair land te zijn, maar New Orleans in de negentiende eeuw was natuurlijk verre van egalitair. Er was een verschil van dag en nacht tussen de salons waar de elite danste, ongetwijfeld op de elegante quadrilles en mazurka’s waar ook Europa op danste, en misschien zelfs ook op de nieuwste polonaises van Chopin, en het soort “coffeehouse” annex bordeel dat John Montane in 1860 zijn eigendom mocht noemen. Op welke muziek, vraag ik me af, zal dáár zijn gedanst?
Minstrel songs, ongetwijfeld. Oh! Suzanna, altijd populair, Blue Eyed Jane, Fanny Lee, Little Rose. Of een van de creoolse liedjes die model hadden gestaan voor de composities van Louis Moreau Gottschalk, nog zo’n beroemde zoon van New Orleans: Musieu Bainjo, Pov’ piti Lolotte, Quan’ patate la cuite. Misschien stond er een piano, of zo’n nieuwerwetse pianola die je op kon winden. Misschien drong er in die muziek ook wel iets door van de Afrikaanse ritmes die elke zondagmiddag te horen waren in het fameuze Congo Square, tegenover Rampart Street – de bamboula, de calinda of de carabine. We weten niet wanneer het was dat strengere wetten een einde maakten aan die wekelijkse bijeenkomsten; de katholieke Fransen en Spanjaarden hadden hun slaven altijd hun culturele vrijheid gegund, al was het slechts eenmaal in de week, maar de protestante Anglo-Amerikanen met hun idee van het uitverkoren blanke ras waren aanzienlijk vaster in de leer. Congo Square hield dus op enig moment op een zondags stukje Afrika te zijn, maar het had lang genoeg bestaan om in het collectief geheugen van New Orleans te worden opgenomen, samen met de andere onmisbare ingrediënten als de jambalaya, de gumbo en de rijst met rode bonen. En het carnaval, de Mardi Gras.

Al dat, en nog veel meer, klinkt door in de muziek die Mac Rebennack schreef voor zijn muzikale New Orleansproject, culminerend in dat eerste dr. John album uit 1968, Gris Gris. De hele geschiedenis – voodoodansen, Bayou St. John, Congo Square, Mardi Gras, minstrel shows, die hele dampende smeltkroes aan ingrediënten waarin de muziek van New Orleans in de twintigste eeuw is gebrouwen, van de jazz van King Oliver en Louis Armstrong tot de R&B van Professor Longhair, de brassbands en de “second line”, Basin Street Blues, Fats Domino, Lee Dorsey, Irma Thomas, Allen Toussaint, de Dixie Cups, Iko Iko, dat alles en nog veel meer. De vreemde geschiedenis van Jump Sturdy (“people say she used to dance with the fish”), een paar generaties eerder gezongen door een andere voorvader van Mac Rebennack in een vaudeville show. Jessie Hill, auteur van de New Orleans-klassieker Ooh Poo Pah Doo, die ook het minstens zo vreemde verhaal over Mama Roux optekende. Medicine man got heap strong power / You know better than to mess with me. – Verhalen.

Ja, verhalen zijn er te over. We moeten nog veel meer weten over Jean Montanet, en waar hij vandaan kwam: Afrika, het moederland van de gris-gris, voodoo en gumbo. Over Voodoo Queen Marie Laveau, die de kleindochter zal blijken te zijn van de Surveyor General van Spaans Louisiana, later de burgemeester van New Orleans. En meer.

(wordt vervolgd)

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | 1 reactie

Vliegen

De enige regel is dat er maar tachtig woorden mogen zijn, niet meer, niet minder. Verder mag alles. Zes jaar geleden begon ik met deze reeks, die met forse tussenpozen groeide; dit zijn de nummers 39 en 40. Bij nummer 80 hou ik op – nog een heel eind te gaan.

 

De vliegen

We bedachten strategieën, plaatsten horren voor de ramen, hingen lange, kleverige strips aan het plafond. Toen schaften we een apparaat aan dat met vonken en geknetter de stank verspreidde van verschroeide haren. Desondanks bleven ze komen, hun metalig glanzend zoemen vulde ons bestaan, dreef ons tot wanhoop en waanzin.
We lazen de kranten niet meer, maar rolden ze op en mepten ermee als wilden. We liepen rond met schele hoofdpijn van het gif en riepen ons huis uit tot oorlogsgebied.

 

Insomnia

Twee reizigers op kousevoeten: je ogen volgen elke plooi, elke helling, elke bergpas van dit lakenlandschap, zoals het zich hier, in het schemerlicht, uitstrekt in de tijdloosheid van het tevergeefs wachten. Wachten op het duister dat niet komt, de stap omlaag, de val, de grazige alpenwei van de slaap.
Alleen, boven de bergtoppen, zweven de vluchtige vogels van je gedachten, waaien als warme valwinden omlaag, wervelen dan weer naar boven om daar opnieuw vogels te worden, krijsend van misplaatste vreugde.

 

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen