Gumbo – in memoriam dr. John

Ze noemden hem dr. John, net als in het lied van die andere dr. John, naast nog een heleboel andere namen: Voudoo John, Bayou John, Jean Grisgris, Jean La Ficelle (Jan Touwtje). Hij had klanten die van heinde en ver kwamen, ook al net als in het lied, om zijn medicijnen te kopen, zijn kruidenmengsels, zalven, spreuken, buideltjes met amuletten, gris-gris
Bij de burgerlijke stand was hij bekend onder de naam Jean of John Montane of Montanet, een free man of color.
New Orleans lag in die tijd, zoals nu nog, met zijn gezicht naar de rivier; maar anders dan nu strekte zich achter zijn brede, vlezige rug een dichtbegroeide jungle uit van kreupelhout, moerasland en bayou’s. Hier ritselde de lucht van de geheimen, nachtelijke samenzweringen, spoken, zombies. Hier groeiden de kruiden en de john the conqueror-wortels die, verzameld en gedroogd en in linnen zakjes genaaid, de gokkers geluk moesten brengen bij het pokerspel of de matrozen van de Mississippiboten helpen bij hun liefdesavonturen in Smokey Row of in het huis van Madame LeSoleilLevant aan St. Louis Street. Het waren zaken waar de eerzame burgerij niets van wist (of wilde weten), maar hun zwarte slaven des te meer; die verzamelden zich ’s nachts langs de oevers van de Bayou St. John waar Marie Laveau, ook zij een vrije zwarte vrouw, haar voodoo-rituelen uitvoerde; voor even daalde dan moeder Afrika neer over haar ontheemde kinderen.
Aan de rand van de stad, op een braakliggend perceel aan Bayou Road en Prieur Street, bouwde Jean Montanet zijn huis. Hij woonde er, naar zeggen, met vijftien vrouwen en een veelvoud aan kinderen. Hij reed in een koets met twee paarden, had een volbloed rijpaard met Mexicaans zadel en dronk geen wijn die goedkoper was dan een dollar per liter. Zijn cliënten ontving hij in een eenvoudige spreekkamer waarin alleen een tafel, een stoel, een prent van de Heilige Maagd en een olifantslagtand. De toekomst voorspelde hij met schelpen uit Afrika en een pak kaarten waarin een gaatje was gebrand.

Het was naar deze dr. John dat Mac Rebennack zijn beroemd geworden podiumpersonage modelleerde. Getooid met veren boa’s en andere parafernalia, met veelkleurige schmink en glitter op zijn wangen, als de extatische carnavalsversie van een voodoopriester; een nieuwe en briljante variatie op de stageact van R&B zanger Screamin’ Jay Hawkins, de man die I put a spell on you zong met een microfoon in zijn ene, en een menselijke schedel in zijn andere hand.
Hij had er al een tijd mee rondgelopen, vertelde hij in 1990 aan Stanley Moss van Bomb Magazine, met het idee om iets te doen met de rijke geschiedenis van New Orleans, misschien wel een album; en toen kreeg hij een kranteknipsel onder ogen waarin stond dat zijn betover-over-grootvader, Wayne Rebennack, zo ergens rond 1860 was gearresteerd samen met een zekere John Montane, alias dr. John – wegens het uitoefenen van voodoo-praktijken in een illegaal bordeel.
Zie het voor je. De Rebennacks waren immigranten uit de Franse Elzas, vroeg in de negentiende eeuw aangespoeld in het beloofde land: New Orleans. Ze hadden geld, misschien niet veel, begonnen een kruidenierszaak aan Bayou Road, dezelfde weg waar even verderop dr. John, Bayou John, zijn praktijk had. Het moederland was in de greep gekomen van de revolutie, met wonderlijke denkbeelden over vrijheid en mensenrechten en de afschaffing van de slavernij. Allemaal zaken waar de elite van de stad, de oude creoolse families met een stamboom zo lang als hun arm maar de ook de meer recent gearriveerde Engels sprekende plantagehouders uit het Amerikaanse zuiden, van huiverden.
Die wisten nog van de verijdelde slavenopstanden bij Point Coupée, en ze hadden met eigen ogen de honderd afgehakte hoofden gezien die waren tentoongesteld vanaf de Place d’Armes, herdoopt in Jackson Square, helemaal langs de River Road tot aan de plantage van Manuel Andry in St. Jean-Baptist, aan wat door de plaatselijke bevolking de Côte des Allemands werd genoemd, naar een oude Duitse nederzetting uit de 18e eeuw. Honderd hoofden van geëxecuteerde opstandelingen, uitgestald als waarschuwing voor iedereen die het maar in zijn hoofd zou halen om zich te beroepen op Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. 1811, destijds niet eens zó lang geleden.
En dan begint zo’n kleine middenstander uit de Elzas samen te werken met een vrije zwarte wonderdokter annex bordeelhouder, die volgens de volkstelling uit 1860 meer dan twaalfduizend dollar op zijn naam had staan… Er is misschien wel wat verbeelding nodig om het voor je te zien.

De Verenigde Staten heten een egalitair land te zijn, maar New Orleans in de negentiende eeuw was natuurlijk verre van egalitair. Er was een verschil van dag en nacht tussen de salons waar de elite danste, ongetwijfeld op de elegante quadrilles en mazurka’s waar ook Europa op danste, en misschien zelfs ook op de nieuwste polonaises van Chopin, en het soort “coffeehouse” annex bordeel dat John Montane in 1860 zijn eigendom mocht noemen. Op welke muziek, vraag ik me af, zal dáár zijn gedanst?
Minstrel songs, ongetwijfeld. Oh! Suzanna, altijd populair, Blue Eyed Jane, Fanny Lee, Little Rose. Of een van de creoolse liedjes die model hadden gestaan voor de composities van Louis Moreau Gottschalk, nog zo’n beroemde zoon van New Orleans: Musieu Bainjo, Pov’ piti Lolotte, Quan’ patate la cuite. Misschien stond er een piano, of zo’n nieuwerwetse pianola die je op kon winden. Misschien drong er in die muziek ook wel iets door van de Afrikaanse ritmes die elke zondagmiddag te horen waren in het fameuze Congo Square, tegenover Rampart Street – de bamboula, de calinda of de carabine. We weten niet wanneer het was dat strengere wetten een einde maakten aan die wekelijkse bijeenkomsten; de katholieke Fransen en Spanjaarden hadden hun slaven altijd hun culturele vrijheid gegund, al was het slechts eenmaal in de week, maar de protestante Anglo-Amerikanen met hun idee van het uitverkoren blanke ras waren aanzienlijk vaster in de leer. Congo Square hield dus op enig moment op een zondags stukje Afrika te zijn, maar het had lang genoeg bestaan om in het collectief geheugen van New Orleans te worden opgenomen, samen met de andere onmisbare ingrediënten als de jambalaya, de gumbo en de rijst met rode bonen. En het carnaval, de Mardi Gras.

Al dat, en nog veel meer, klinkt door in de muziek die Mac Rebennack schreef voor zijn muzikale New Orleansproject, culminerend in dat eerste dr. John album uit 1968, Gris Gris. De hele geschiedenis – voodoodansen, Bayou St. John, Congo Square, Mardi Gras, minstrel shows, die hele dampende smeltkroes aan ingrediënten waarin de muziek van New Orleans in de twintigste eeuw is gebrouwen, van de jazz van King Oliver en Louis Armstrong tot de R&B van Professor Longhair, de brassbands en de “second line”, Basin Street Blues, Fats Domino, Lee Dorsey, Irma Thomas, Allen Toussaint, de Dixie Cups, Iko Iko, dat alles en nog veel meer. De vreemde geschiedenis van Jump Sturdy (“people say she used to dance with the fish”), een paar generaties eerder gezongen door een andere voorvader van Mac Rebennack in een vaudeville show. Jessie Hill, auteur van de New Orleans-klassieker Ooh Poo Pah Doo, die ook het minstens zo vreemde verhaal over Mama Roux optekende. Medicine man got heap strong power / You know better than to mess with me. – Verhalen.

Ja, verhalen zijn er te over. We moeten nog veel meer weten over Jean Montanet, en waar hij vandaan kwam: Afrika, het moederland van de gris-gris, voodoo en gumbo. Over Voodoo Queen Marie Laveau, die de kleindochter zal blijken te zijn van de Surveyor General van Spaans Louisiana, later de burgemeester van New Orleans. En meer.

(wordt vervolgd)

© Ben Joosten 2019

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | 1 reactie

Vliegen

De enige regel is dat er maar tachtig woorden mogen zijn, niet meer, niet minder. Verder mag alles. Zes jaar geleden begon ik met deze reeks, die met forse tussenpozen groeide; dit zijn de nummers 39 en 40. Bij nummer 80 hou ik op – nog een heel eind te gaan.

 

De vliegen

We bedachten strategieën, plaatsten horren voor de ramen, hingen lange, kleverige strips aan het plafond. Toen schaften we een apparaat aan dat met vonken en geknetter de stank verspreidde van verschroeide haren. Desondanks bleven ze komen, hun metalig glanzend zoemen vulde ons bestaan, dreef ons tot wanhoop en waanzin.
We lazen de kranten niet meer, maar rolden ze op en mepten ermee als wilden. We liepen rond met schele hoofdpijn van het gif en riepen ons huis uit tot oorlogsgebied.

 

Insomnia

Twee reizigers op kousevoeten: je ogen volgen elke plooi, elke helling, elke bergpas van dit lakenlandschap, zoals het zich hier, in het schemerlicht, uitstrekt in de tijdloosheid van het tevergeefs wachten. Wachten op het duister dat niet komt, de stap omlaag, de val, de grazige alpenwei van de slaap.
Alleen, boven de bergtoppen, zweven de vluchtige vogels van je gedachten, waaien als warme valwinden omlaag, wervelen dan weer naar boven om daar opnieuw vogels te worden, krijsend van misplaatste vreugde.

 

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hoe hoog de sneeuw

Een dichter op zijn ziekbed, stervend aan tuberculose. Het is een beeld uit voorbije tijden; denk aan Paul van Ostaijen, Jacques Perk, Kafka. Maar deze dichter heet Masaoka Shiki, en zijn sterfbed staat in Tokio. Buiten sneeuwt het. Hij heeft de eerste vlokken zien vallen door een kier in het raamluik. Nu ligt hij uitgeput achterover. Zijn zus, die hem al jaren liefdevol verzorgt, veegt het opgehoeste slijm van zijn kin en leegt de emmer die als kwispedoor dienst doet. “Wil je even voor me kijken?” vraagt hij. “Ligt er al veel?”
Hij ligt al jaren op dat bed. In het begin kon hij nog wel wat rondschuifelen, op de veranda zitten, zijn tuin bewonderen. Naarmate hij minder mobiel werd plantte zijn zus de bloemen steeds dichter bij het huis, tot de veranda vol staat met potten – blauweregen, hanekam, sponskomkommer. Hij hoeft alleen zijn hoofd maar op te tillen om ze te zien. En intussen schrijft hij maar door, gedichten, commentaren, dagboekaantekeningen, over zijn ziekte – een van zijn haiku heeft als opschrift 7 Mei (temperatuur 38,5°) – zijn dromen (“pijn rukt mij wakker / uit een droom over pijn”), de pruimebloesems naast zijn bed die hun blaadjes een voor een verliezen, de vliegen op het raam. Over zijn geliefde sport, honkbal, waarover hij alleen nog in de krant kan lezen. Over kakifruit (“herinner mij als / iemand die van haiku hield / en van kakifruit”). Alles moet genoteerd, zo objectief en zuiver mogelijk; alleen op die manier, zegt hij, raak je de kern. Shasei, noemt hij zijn stijl – schetsen, zoals een kunstenaar die de natuur in trekt.

Shiki op zijn ziekbed, zelfportret

Shiki is het pseudoniem dat hij zichzelf aanmeet als voor het eerst de diagnose tbc bij hem wordt vastgesteld – naar de Japanse bergkoekoek, van wie de legende zegt dat hij niet ophoudt met zingen totdat hij bloed spuugt. Eigenlijk heet hij Masaoka Tsunenori, zoon van een aan lager wal geraakte samurai en een onderwijzeres. Het is de tijd van wat in Japan de Meiji-restauratie heet, de periode van razendsnelle modernisering die een einde maakt aan eeuwen van stilstand. Japan ontdekt de wereld, en doet dat op vrijwel hetzelfde moment dat de wereld Japan ontdekt. Terwijl in Parijs Vincent van Gogh zich vergaapt aan de Japanse prenten van Hokusai, ontdekt Shiki het realisme van de Europese plein-air schilders. Hij begint er zijn poëzie mee te doordrenken. Als hij tenslotte sterft, nog geen 35 jaar oud, op 19 september 1902, heeft hij de Japanse dichtkunst radicaal vernieuwd, ontdaan van lagen stoffige traditie, heilige huisjes en cliché’s. Het is de vraag of zonder zijn bemoeienis de haiku in het moderne Japan had overleefd, ja, of het genre zonder hem de wereldwijde populariteit had verworven die het nu heeft. Maar aan dat soort dingen denkt hij niet, die winterdag in Tokio. Hoe dik de sneeuwlaag buiten al is, meer wil hij niet weten.

Hoe vaak vroeg ik al
– voor de zoveelste keer –
hoeveel sneeuw er al viel?

© Ben Joosten 2019

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (34)

Het beeld van die hommel krijg ik maar niet uit mijn hoofd. Hij vloog zoekend langs het venster, rond en pluizig zoals hommels zijn, of er misschien een weg naar binnen was, een plek om te nestelen.
Aan onze kant van het glas volgden twee paar ogen de hommel. De zuster had het bed juist aan het raam gezet, “dan kunt u fijn naar buiten kijken”, en dat deden we dan ook maar. Aan een betonnen horizon trokken wolken traag voorbij; in mijn ooghoeken zag ik een tram vertrekken.
“Ik ben moe,” zei ze. Zoals ze daar lag, gekluisterd aan haar bed-met-uitzicht, door draden en slangen en zakken met vloeistof verbonden met apparaten vol oplichtende cijfers die vertelden of er voortgang was – zo klein en breekbaar te midden van dat alles – en ik die niets te zeggen wist.
Waarom wilde je naar binnen, vraag ik zwijgend aan de hommel. Wat had je daar bij ons te zoeken? Ga weg, je kunt er niet in, leg je eitjes ergens anders!
We namen afscheid voor de avond viel en het raam de ziekenkamer op zou sluiten in zijn eigen spiegelbeeld; alsof haar pijn in enkelvoud al niet genoeg was.
De tram naar het station. Op oncomfortabele bankjes wachten op de trein, koffiekiosken die altijd gesloten zijn als je ze nodig hebt. En heel die treinreis lang die hommel. Ik doe mijn best om niet te denken aan wat de dokter zei, en wat we hadden afgesproken haar niet te vertellen, nu nog niet; nee.
Maar die hommel!

één mager boompje
op het ziekenhuisterrein –
bleke aprilzon

toen het bezoekuur
voorbij was, bleef er alleen
eindeloos wachten

laatste trein naar huis –
leger nog dan de perrons
de lege nacht

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Haiku (33)

Vergeefs verkoeling zoekend trekt de stad zich in de avond aan het water terug. Terrassen vullen zich met gasten, hier klinkt een grap, een schaterlach, een klacht, “wat is het heet!” – daar tinkelen de glazen, lopen obers heen en weer; en boven alles drijft de maan, in een hemel die traag en zwaar is als stroop.
Maar ik loop stroomafwaarts. De stad uit, naar waar de lege fabrieken zijn en achter een betonnen muur torens van schroot en autowrakken staan. Daar drinkt bij een verlaten laadplatform een late chauffeur koffie uit een plastic beker en fluit vals een liedje. En bij de sluis wiegen de boten zachtjes op het stille water, in natriumlicht. Ik leun over de reling, zie de weerschijn van oranje, gebroken op de golfslag, scherven van licht die dansen op de adem van het water.

achter de sluiskolk –
dronken van de zomernacht,
lantarens, deinend

zeg wat je wilt, maar
onder deze maan, vannacht,
en met deze wijn –

heel het huis rook naar
overrijpe perziken –
hete zomernacht

kom dan als je durft!
roep ik dronken naar de maan –
wankelend naar huis

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Toast en vonken

Het beleggen van toast

Neem nu leverpastei.
Je ziet het niet meteen; voor je het weet heb je het deksel al opgetild, je inspecteert kleur en substantie en alles lijkt in orde; maar dan ontdek je dat het allemaal niet meer is dan toneelspel.
De leverpastei acteert zijn eetbaarheid en zijn pastei-zijn met volle overtuiging – maar het is klatergoud. Je hoeft je neus maar even in de pot te steken om de farce volledig te doorzien.
Met marmelade ligt het anders; daarover misschien later.

 

Mijn kleine wereld

Eerst is er de geur, dan het herinneren.
Achter het huis lag de werkplaats, opa’s wereld. Het rook daar naar vochtige tuinaarde, pasgeteerd hout, schaafsel; geboortegrond van poppenhuizen, modelschepen, paarden op wieltjes. Soms, op dagen dat het heeft geregend, ben ik weer in die werkplaats en zie ik hem een beitel scherpen – hier, draai jij de slijpsteen maar, en ik pak huiverend van geluk de ijzeren slinger en draai zo hard als ik kan, zo hard dat de vonken springen.

©Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Wij, stipjes

Twee nieuwe zeer korte verhalen. Tachtig woorden, niet meer, niet minder. Voor de liefhebbers.

Horticulturele overpeinzing

Frambozen zijn rijp wanneer ze van helderrood roze kleuren. Dat doen ze elk op hun eigen tijd. Tijdens het plukken werd ik enigszins gehinderd door een hommel die wat rondscharrelde in het vingerhoedskruid, maar blijkbaar hinderde ik hem niet in het minst.
Muggen en wespen kan ik niet uitstaan; ze zijn mij vijandig gezind en ik hen. Voor hommels en frambozen daarentegen heb ik sympathie. We zijn gelijkgestemde zielen in ons kleine universum; gemoedelijke wezens die elkaar de ruimte gunnen.

Geboorte van de zeeman

Omgekeerd wordt de tafel een boot; de wereld staat op zijn kop. De vloer: de zee. De jongen: de kapitein. De tafelpoten zijn afwisselend mast, reling, schoorsteen.
Waarheen de reis gaat, dat weet alleen de jongen. Hij weet nog niets van kaarten, maar toch heeft hij er een in zijn gedachten, met onbekende kusten en avonturen en hij en zijn boot zijn op die kaart nog minder dan een stipje.
Laat het dreigen, stormen! – wij houden moedig stand, wij, stipjes.

© Ben Joosten 2018

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen